Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3823

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
15/7082 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op toeslag. Niet kan worden gezegd dat appellant een duurzame band van persoonlijke aard had met Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7082 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 september 2015, 13/2671 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 3 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Bronsveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellant heeft een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. F. Ergeç, kantoorgenoot van mr. Bronsveld. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt sinds december 2007 een ouderdomspensioen en een toeslag op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.2.

Medio 2012 is een onderzoek gestart naar de woonplaats van appellant. Bij besluit van
5 oktober 2012 heeft de Svb appellant bericht dat hij vanaf september 2011 geen recht meer heeft op toeslag omdat hij sinds 29 augustus 2011 in Venezuela woont. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 16 april 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb appellants bezwaar ongegrond verklaard en zijn besluit van 5 oktober 2012 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant niet woonachtig is in Venezuela en heeft het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek vernietigd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten omdat haar is gebleken dat appellant niet meer in Nederland woont. Appellant wordt weliswaar door de Belastingdienst aangemerkt als binnenlands belastingplichtige, maar gebleken is dat de Belastingdienst daarbij uitsluitend is afgegaan op appellants eigen mededeling omtrent zijn woonplaats. Gezien alle feiten en omstandigheden kan niet worden gezegd dat appellant ten tijde in geding een duurzame band van persoonlijke aard had met Nederland. Appellants intentie is daarbij niet doorslaggevend. In aanmerking is genomen dat appellant naar eigen zeggen een groot deel van het jaar op zijn boot in Caribisch gebied verblijft. Niet gebleken is dat deze boot een thuisbasis in Nederland heeft. Verder is van belang geacht dat appellant in Nederland niet duurzaam de beschikking had over een reële woning. Weliswaar had hij voor een symbolisch bedrag van € 1,- per maand de beschikking over een zolderetage in [plaatsnaam], maar als hij voor langere tijd in Nederland was, verbleef hij niet op die etage, maar huurde hij een chalet op een recreatiepark. Appellants bezoeken aan Nederland voor medische behandeling en bezoeken aan zijn kinderen, zijn te incidenteel en kortdurend van aard om tot de conclusie te kunnen leiden dat sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland.

3. In hoger beroep heeft appellant doen aanvoeren dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten. Appellants gemachtigde heeft erop gewezen dat appellant door de Belastingdienst wordt aangemerkt als binnenlands belastingplichtige en gesteld dat hij een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1.

De vraag of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten, wordt bevestigend beantwoord. De gronden die de rechtbank tot haar oordeel hebben geleid en die hiervoor in 2 kort zijn weergegeven, worden onderschreven. Appellant heeft in hoger beroep veel gesteld omtrent zijn verblijf in Nederland, maar daarvoor geen enkel bewijs aangedragen. Daar komt bij dat zijn stellingen niet altijd met elkaar verenigbaar zijn.

4.2.

Uit de diverse verklaringen die zich in het dossier bevinden, komt naar voren dat appellant in 1986 met zijn zeilboot naar de Caribisch gebied is vertrokken en daar sindsdien het merendeel van het jaar op zijn boot verblijft. Vier à vijf maal per jaar bezoekt hij zijn vrouw en kinderen in Venezuela. Volgens zeggen van appellant mag hij met een toeristenvisum maximaal drie maanden in Venezuela verblijven. Volgens de verklaring van appellants echtgenote ging appellant eens per jaar naar Nederland voor medische behandeling. Appellant zelf heeft aanvankelijk verklaard dat hij twee tot vijf maanden per jaar in Nederland verbleef, voor medische behandelingen en familiebezoek.

4.3.

Ter zitting van de Raad heeft appellant naar voren gebracht dat hij ten tijde hier van belang zes maal per jaar steeds voor zes tot acht weken naar Nederland kwam. Dit komt niet overeen met zijn eerdere verklaring dat hij twee tot vijf maanden per jaar in Nederland was. Bovendien valt dit niet te rijmen met de verklaringen omtrent zijn verblijf op zijn zeilboot en in Venezuela.

4.4.

Appellants gemachtigde heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 4 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5323. Zijn stelling dat het hier een vergelijkbare situatie betreft, kan niet worden onderschreven. Inderdaad ging het ook in die uitspraak om een persoon die na langdurig in Nederland te hebben gewoond, veel tijd buiten Nederland doorbracht. Essentieel verschil met appellants situatie is evenwel dat appellant, in tegenstelling tot degene op wie genoemde uitspraak betrekking heeft, niet over een duurzame woning in Nederland beschikt.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en
M.M. van der Kade en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2017.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) R.H. Budde

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.

AB