Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3820

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
15/8275 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit van 13 mei 2014 kan niet worden aangemerkt als een adequate beslissing van appellant op het verzoek van betrokkene. Niet genomen conform het bepaalde in artikelen 54 en 55 van de Wet WIA. Een eerder besluit als bedoeld in artikel 54 van de Wet WIA had daaraan ten grondslag moeten liggen. Appellant heeft dat ten onrechte niet onderkend en dient daarom een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Artikel 8:113, tweede lid, van Awb is hierbij van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2018/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8275 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

25 november 2015, 14/6199 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[naam bedrijf] B.V. te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 25 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft M.E. Kühne-Vermeer een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 13 september 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J.S. van Daatselaar. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door [X en Y].

OVERWEGINGEN

1.1.

[naam werknemer] (werknemer) is laatstelijk bij betrokkene werkzaam geweest als betonwerker/timmerman. Voor die werkzaamheden is hij op 12 oktober 2012 wegens ernstige rugklachten volledig uitgevallen. Op 9 april 2013 heeft werknemer bij appellant een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

(Wet WIA) met verkorte wachttijd. Bij besluit van 28 mei 2013 heeft appellant vastgesteld dat werknemer geen recht op een WIA-uitkering heeft, omdat geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid en de wachttijd van 104 weken niet is volgemaakt. Aan dit besluit zijn ten grondslag gelegd een rapport van een verzekeringsarts van 23 mei 2013 en een rapport van een arbeidsdeskundige van 28 mei 2013. Werknemer heeft tegen het besluit van 28 mei 2013 bezwaar gemaakt.

1.2.

Tijdens de bezwaarfase heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien om nader onderzoek te doen naar de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van werknemer. Bij brief van 2 januari 2014 heeft appellant aan werknemer zijn voornemen bekend gemaakt dat het besluit van 28 mei 2013 zal worden herzien in die zin dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag wordt vastgesteld op 24 april 2006 en de mate van arbeidsongeschiktheid per nieuwe datum einde wachttijd op 20 april 2008 19,1% bedraagt. Bij brief van 20 januari 2014 heeft appellant betrokkene geïnformeerd dat werknemer hem bij brief van 16 januari 2014 heeft laten weten het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 2013 niet langer te handhaven en dat de bezwaarzaak daarmee is afgedaan.

1.3.

Bij brief van 24 januari 2014 heeft betrokkene appellant verzocht om de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van werknemer opnieuw vast te stellen en daarover een beslissing te nemen. Bij besluit van 13 mei 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat werknemer met ingang van 12 oktober 2012 recht heeft op een WIA-uitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is berekend op 40,53%. Daarbij is tevens beslist dat het door werknemer te ontvangen loon, gelet op de loondoorbetalingsverplichting van betrokkene, op de WIA-uitkering in mindering wordt gebracht. Betrokkene heeft tegen het besluit van 13 mei 2014 bezwaar gemaakt op de grond dat appellant er ten onrechte van is uitgegaan dat sprake is van een loondoorbetalingsverplichting. Betrokkene heeft zich met verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2011:BQ8134) op het standpunt gesteld dat werknemer na de vermindering in arbeidsuren in 2006 en het verlichten van de werkzaamheden steeds werkzaam is gebleven in de bedongen arbeid. Bij besluit van 15 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 13 mei 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen om binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van wat de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen. Ook heeft de rechtbank bepalingen inzake griffierecht en proceskosten gegeven. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van een wijziging van de bedongen arbeid waardoor appellant ten onrechte heeft aangenomen dat betrokkene per 12 oktober 2012 verplicht was het loon van werknemer door te betalen.

3.1.

Onder verwijzing naar diverse uitspraken van onder meer de Hoge Raad en de Centrale Raad van Beroep heeft appellant in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat met de vermindering van de arbeidstijd van 40 uur naar 32 uur per week wegens medische redenen, sprake is van een verandering van de bedongen arbeid waardoor voor betrokkene met de ziekmelding van werknemer per 12 oktober 2012 opnieuw de verplichting tot loondoorbetaling gedurende 104 weken is gaan gelden. Volgens appellant heeft hij daarom terecht toepassing gegeven aan artikel 61 van de Wet WIA en bij de vaststelling van de hoogte van de WIA-uitkering rekening gehouden met een verplichting van betrokkene tot loondoorbetaling vanaf 12 oktober 2012. Appellant heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te vernietigen en het beroep ongegrond te verklaren.

3.2.

Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 54 van de Wet WIA luidt voor zover van belang als volgt:

1. Recht op een WGA-uitkering ontstaat voor de verzekerde die ziek wordt indien:

a. hij de wachttijd heeft doorlopen;

b. hij gedeeltelijk arbeidsgeschikt is; en

c. er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is.

2. Het recht op een WGA-uitkering ontstaat niet eerder dan op de eerste dag na afloop van de wachttijd of indien op die dag de uitsluitingsgrond, bedoeld in artikel 43, onderdeel b, van toepassing is, op de dag dat zich die uitsluitingsgrond niet meer voordoet.

4.2.

Artikel 55 van de Wet WIA luidt als volgt:

1. Indien op de dag, bedoeld in artikel 54, tweede lid, geen recht op een

WGA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, ontstaat alsnog recht op die uitkering met ingang van de dag dat hij wel gedeeltelijk arbeidsgeschikt wordt indien hij op de dag hieraan voorafgaand:

a. recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering;

b. minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid; of

c. minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid voortkomt uit een andere oorzaak dan die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.

2. Indien op de dag, bedoeld in artikel 54, tweede lid, geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat op die dag op de verzekerde een of meer uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 43, onderdeel d, e of f, van toepassing waren, ontstaat alsnog recht op deze uitkering op de dag dat zich geen van deze uitsluitingsgronden meer voordoet, indien hij op die dag gedeeltelijk arbeidsgeschikt is.

4.3.

Bij de in 1.3 vermelde brief van betrokkene van 24 januari 2014 heeft betrokkene appellant verzocht om de eerste ziektedag van werknemer opnieuw te beoordelen en daarover een besluit te nemen. Aanleiding voor dit verzoek is volgens betrokkene gelegen in de

WIA-aanvraag met verkorte wachttijd van werknemer van 9 april 2013 en in het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 december 2013 waaruit blijkt dat deze arts de eerste ziektedag van werknemer heeft bepaald op 24 april 2006. Ter zitting heeft de gemachtigde van betrokkene uiteengezet dat bij een eerste ongeschiktheidsdag van 24 april 2006 een vaststelling moet volgen over het recht op WIA-uitkering na het bereiken van de wachttijd. De grondslag van die vaststelling zou volgens betrokkene niet een praktische, maar een theoretische schatting moeten zijn. Bovendien dient appellant volgens betrokkene bij een besluit over het recht op WIA-uitkering bij het einde van de wachttijd ook een besluit te nemen over het al dan niet van toepassing zijn van de no-riskpolis.

4.4.

Geoordeeld wordt dat het besluit van 13 mei 2014 niet kan worden aangemerkt als een adequate beslissing van appellant op het verzoek van betrokkene om de eerste ziektedag van werknemer opnieuw vast te stellen en met inachtneming daarvan de WIA-aanspraak van werknemer na einde wachttijd en per 12 oktober 2012 vast te stellen. Het besluit van 13 mei 2014 is niet genomen conform het bepaalde in de in 4.1 en 4.2 aangehaalde artikelen 54 en 55 van de Wet WIA. Aan een besluit als hier aan de orde dient een eerder besluit als bedoeld in artikel 54 van de Wet WIA ten grondslag te liggen. Appellant heeft dat ten onrechte niet onderkend en dient daarom een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

5. Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient, zij het op andere gronden, te worden bevestigd.

6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellant reeds opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Op grond van deze uitspraak zal appellant dat moeten doen met in achtneming van wat in 4.4 is overwogen.

7. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door appellant te nemen nieuwe beslissing op het bezwaar van betrokkene slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

8. Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- draagt appellant op om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van

wat in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat het beroep tegen de door appellant te nemen nieuwe beslissing op bezwaar

slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van

€ 990,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 497,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en M.C. Bruning en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) J.W.L. van der Loo

RB