Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3814

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
03-11-2017
Zaaknummer
17/811 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Appellante moet geacht worden haar verzoek tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst te hebben laten vervallen. De door appellante aangevoerde beroepsgronden vielen buiten de omvang van het geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/811 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

13 december 2016, 16/1906 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Delfzijl (college)

Datum uitspraak: 2 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. B.J. Boiten, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Boiten en M. Zoestbergen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam bij de gemeente Delfzijl, laatstelijk in de functie van [naam functie A].

1.2.

Bij besluit van 19 mei 2009 heeft het college aan appellante met onmiddellijke ingang ontslag verleend met toepassing van artikel 8:6 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO).

1.3.

Bij besluit van 3 februari 2010 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 mei 2009 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en aan appellante met ingang van 19 mei 2009 eervol ontslag verleend ingevolge artikel 8:8, eerste en derde lid, van de CAR/UWO onder het aanbieden van een passende regeling als bedoeld in artikel 10d:4 van de CAR/UWO.

1.4.

Appellante heeft tegen het besluit van 3 februari 2010 beroep ingesteld. Partijen zijn vervolgens in overleg gegaan met het oog op een minnelijke regeling. In dat kader is een concept vaststellingsovereenkomst opgesteld. In oktober 2010 heeft de gemachtigde van appellante zich op verzoek van appellante teruggetrokken als gemachtigde. De concept vaststellingsovereenkomst is niet door partijen getekend omdat geen overeenstemming bestond over de door appellante aan het college te verlenen finale kwijting. Bij uitspraak van 7 december 2010 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 februari 2010 ongegrond verklaard.

1.5.

In maart 2011 heeft de gemachtigde van appellante het college verzocht om de vaststellingsovereenkomst alsnog aan te gaan. Het college heeft dat verzoek bij brief van

23 maart 2011 afgewezen.

1.6.

Bij brief van 10 augustus 2011 heeft het college op een telefonisch verzoek van appellante meegedeeld niet bereid te zijn om de vaststellingsovereenkomst alsnog aan te gaan.

1.7.

Bij brief van 26 oktober 2015 heeft appellante verzocht om het aanbod zoals dat was verwoord in de concept vaststellingsovereenkomst alsnog gestand te doen, dan wel om aan haar een schadevergoeding toe te kennen. Bij besluit van 29 oktober 2015 heeft het college dit verzoek afgewezen. Bij beslissing op bezwaar van 23 maart 2016 heeft het college de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De rechtbank heeft overwogen dat de omvang van het geding is beperkt tot het verzoek om schadevergoeding. In bezwaar heeft appellante de vordering tot nakoming van de concept vaststellingsovereenkomst namelijk niet gehandhaafd en daarom vallen de beroepsgronden daaromtrent buiten de omvang van het geding. De rechtbank concludeert dat het niet sluiten van een vaststellingsovereenkomst een feitelijke handeling betreft die geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met inachtneming van artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet rechtstreeks in haar belang is getroffen. De gestelde schadeveroorzakende handeling is niet vatbaar voor beroep en hoger beroep, waardoor het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bezwaar is beperkt tot een verzoek om schadevergoeding en dat de beroepsgronden die waren gericht op nakoming van de concept vaststellingsovereenkomst buiten de omvang van het geding vallen. Het verzoek en het bezwaar moesten zo worden opgevat dat, indien nakoming niet (meer) aan de orde was, appellante een beroep deed op schadevergoeding. Appellante heeft alsnog verzocht om nakoming van de in haar ogen tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De kern van het geschil in (hoger) beroep is de vraag of het college het bezwaar van appellante terecht beperkt heeft geacht tot het verzoek om schadevergoeding, omdat appellante geacht moet worden haar verzoek tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst te hebben laten vervallen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat dit het geval is. De Raad baseert dit oordeel ten eerste op de pleitnota van de gemachtigde van appellante ten behoeve van de hoorzitting in bezwaar. Daarin staat vermeld: “Er is niet om nakoming van de regeling verzocht (…), maar er is om een schadevergoeding vanwege misgelopen bedragen, dan wel vanwege het mislopen van de regeling, verzocht.” Ten tweede baseert de Raad dit oordeel op het verslag van die hoorzitting waarin staat opgenomen dat de toenmalig raadsvrouw van appellante (mr. M. Arends) heeft gezegd dat “vastgesteld kan worden dat gestand doen van de vaststellingsovereenkomst niet meer kan en in het verzoek nu gevraagd wordt om schadevergoeding daar (appellante) na 2010 niet haar eigen belangen kon behartigen”. Uit beide stukken, in samenhang bezien, mocht het college opmaken dat appellante haar bezwaar onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig had beperkt tot de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. Voor het geval het verslag van de hoorzitting op dit punt onjuist was, had appellante om correctie daarvan kunnen verzoeken. Daarvan is niet gebleken. In het bestreden besluit is het college dan ook terecht enkel ingegaan op de vraag of hem enig verwijt valt te maken op grond waarvan hij tegenover appellante gehouden zou zijn tot vergoeding van schade.

4.2.

Nu de niet-nakoming als gevolg van de in 4.1 beschreven proceshouding van appellante geen onderdeel is van het bestreden besluit, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de hieromtrent door appellante aangevoerde beroepsgronden buiten de omvang van het geding vielen.

4.3.

Appellante heeft geen gronden aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank over de schadevergoeding, zodat dit onderdeel buiten bespreking blijft.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en H. Lagas en

J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) C.A.E. Bon

HD