Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3810

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
03-11-2017
Zaaknummer
17/734 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij al gedurende langere tijd de taken van de functie [naam functie 2] vervulde. Geen sprake van volledig en in voldoende mate vervullen van de functie van [naam functie 2] . Anders dan de rechtbank oordeelt de Raad dat deze functie voor betrokkene is aan te merken als een nieuwe functie. Betrokkene voldoet niet aan betreffende voorwaarden en heeft geen recht op inschaling in de uitloopschaal behorende bij die functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/734 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

12 december 2016, 16/1806 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 2 november 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn op 31 maart 2017 door mr. L. Hofste namens appellant aangevuld.

Namens betrokkene heeft mr. L. van Dijk een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Hofste en A.A.J. Steur. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene vervulde bij de gemeente Edam-Volendam de functie van [naam functie 1] . Aan deze functie was schaal [X] verbonden.

1.2.

Betrokkene is met ingang van 1 januari 2014 ingedeeld in de uitloopschaal van schaal [X] , zijnde schaal [Y] .

1.3.

In verband met de fusie per 1 januari 2016 tussen de gemeente Edam-Volendam en de gemeente Zeevang heeft een onderzoek door de Human Capital Group (HCG) plaatsgehad naar de actualiteit van de functiebeschrijvingen in het kader van functieonderhoud. Op 13 mei 2015 is een nieuwe functiebeschrijving van de functie [naam functie 1] opgesteld.

1.4.

Bij besluit van 9 juli 2015 is betrokkene meegedeeld dat de wijziging van de functiebeschrijving van [naam functie 1] geen aanleiding geeft de waardering van de functie te wijzigen. Tegen dit besluit heeft betrokkene bezwaar gemaakt en aangevoerd dat een andere functiebeschrijving en -waardering meer passend zijn voor de werkzaamheden die hij verricht. Naar aanleiding van dit bezwaar is bij besluit van 5 oktober 2015 de functie van betrokkene met ingang van 1 januari 2015 gewijzigd in de functie van [naam functie 2] . Dit is geschied op advies van de HCG, omdat na onderzoek bleek dat de functiebeschrijving van [naam functie 2] het meest passend was, gezien het feit dat er in de werkzaamheden van betrokkene beleidsmatig geadviseerd wordt. De functie [naam functie 2] werd daarbij gewaardeerd in functieschaal [Y] met uitloopschaal [Z] . Verder is betrokkene bij dit besluit meegedeeld dat hij over een eventuele inschalingswijziging op een later tijdstip nader wordt geïnformeerd. Vervolgens heeft betrokkene zijn bezwaar ingetrokken.

1.5.

Bij besluit van 9 november 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 maart 2016 (bestreden besluit), is bepaald dat de functiewijziging voor betrokkene niet leidt tot een andere inschaling, omdat zijn inschaling in uitloopschaal [Y] overeenkomt met de functieschaal van de functie van [naam functie 2] .

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 9 november 2015 herroepen en bepaald dat betrokkene met ingang van 1 januari 2015 ingeschaald dient te worden in functieschaal [Z] . Daartoe heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 3 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC1735, overwogen dat niet is gebleken dat het samenstel van werkzaamheden dat betrokkene vervulde na de gewijzigde functie-indeling en/of de organisatorische setting waarin die werkzaamheden werden vervuld, anders is dan vóór het functieonderhoud. De functiewijziging van betrokkene is dan ook uitsluitend het gevolg van het functieonderhoud. Gelet hierop en gelet op het feit dat betrokkene reeds voor de indeling in de functie van [naam functie 2] voldeed aan de voorwaarden voor toekenning van de uitloopschaal, komt betrokkene vanaf 1 januari 2015 in aanmerking voor inschaling in de uitloopschaal van schaal [Y] , zijnde schaal [Z] .

3. In hoger beroep heeft appellant zich onder meer op het standpunt gesteld dat wel sprake is van een wijziging in het samenstel van werkzaamheden van betrokkene en dat betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor plaatsing in de uitloopschaal behorend bij die gewijzigde werkzaamheden.

4. Betrokkene heeft aangevoerd dat hij al sinds 2007/2008 feitelijk dezelfde werkzaamheden is blijven vervullen. Omdat hij in zijn oude functie al in de uitloopschaal zat, heeft hij recht op inschaling in de uitloopschaal van de nieuwe functie, aldus betrokkene.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1.

Bij het (onherroepelijke) besluit van 5 oktober 2015 is de functie van betrokkene van [naam functie 1] met ingang van 1 januari 2015 gewijzigd in de functie van [naam functie 2] . Dat besluit is genomen in het kader van functieonderhoud voorafgaand aan de onder 1.3 genoemde fusie. Het in dit geding voorliggende besluit hangt als uitvloeisel daarvan nauw samen met het besluit van

5 oktober 2015.

5.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 21 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2588) gaat het bij een verzoek om functieonderhoud om de beantwoording van de vraag of de feitelijk opgedragen werkzaamheden gedurende langere tijd wezenlijk afwijken van de functiebeschrijving. Het is aan de ambtenaar om dat aannemelijk te maken. Nu het hier een vaststelling van feiten betreft, is een slechts terughoudende toetsing door de rechter niet op zijn plaats.

5.3.

In zijn uitspraak van 3 januari 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BC1735) heeft de Raad overwogen dat als na een gewijzigde functiewaardering het samenstel van de werkzaamheden die worden vervuld en de organisatorische setting waarin die worden vervuld ongewijzigd zijn gebleven, niet met vrucht kan worden betoogd dat de voor de functiewaardering vervulde functie een nieuwe functie is geworden. Daaruit volgt dat als voor de functiewaardering al is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de naast hogere schaal van de functieschaal, er ook na de functiewaardering recht bestaat op inpassing in die naast hogere schaal. Onder verwijzing naar deze uitspraak heeft appellant als criterium voor inschaling in de uitloopschaal met ingang van 1 januari 2015 gehanteerd de vraag of het samenstel van de werkzaamheden die worden vervuld en de organisatorische setting waarin die worden vervuld ongewijzigd waren ten opzichte van de werkzaamheden die betrokkene vervulde vanaf 2007/2008.

5.4.

Het is aan betrokkene om aannemelijk te maken dat, zoals hij heeft betoogd, zijn werkzaamheden al vanaf 2007/2008 gelijk zijn aan die van de nieuwe functie van [naam functie 2] .

5.5.

Naar het oordeel van de Raad is betrokkene daarin niet geslaagd. Weliswaar heeft de functiedeskundige van de HCG in zijn advies vermeld dat “de laatste tien jaar de werkzaamheden van betrokkene en zijn collega G naar elkaar zijn toegegroeid en loopt het ook beleidsmatig door elkaar”, maar dit brengt nog niet mee dat betrokkene ook daadwerkelijk zowel in de breedte als in zwaarte hetzelfde werk als beleidsmedewerker G verrichtte. Dit volgt evenmin uit het verslag van het functioneringsgesprek van 22 oktober 2013, waarin is vermeld dat betrokkene toen “al veel zaken” behandelde die normaal gesproken door zijn collega G werden behandeld. Appellant heeft immers ter zitting onweersproken verklaard dat bij de verdeling van de zaken door de coördinator rekening werd gehouden met de zwaarte van de zaak en dat betrokkene in de regel minder complexe zaken dan G toebedeeld kreeg. Daarbij betrekt de Raad dat leidinggevende B heeft verklaard dat betrokkene in 2015 niet volledig in de functie van [naam functie 2] was gegroeid en nog niet het in die functie besloten samenstel van werkzaamheden volledig en meerjarig uitvoerde. Onder andere door de toenemende werkvoorraad bij de beleidsmedewerkers van de afdeling, waaronder G, is betrokkene gaandeweg meer betrokken bij de werkzaamheden van die functionarissen, vooral bij de beleidsvoorbereiding. Appellant heeft voorts verklaard dat de wijzigingen in de functie geleidelijk en met name in de periode medio 2014 en 2015 hebben plaatsgevonden, zowel kwantitatief als kwalitatief. Verder kent de Raad betekenis toe aan de verslagen van de functioneringsgesprekken over 2013, 2014 en 2015 waarin onder meer wordt vermeld, dat er nog aandachtspunten zijn voor wat betreft de tijdigheid van het werk en het kennisniveau, met name op het terrein van het privaatrecht. Aldus ontstaat het beeld dat sprake is geweest van toebedeling van werk en taken door de jaren heen met het oog op persoonlijke ontwikkeling met als doel toe te groeien naar een volwaardige beleidsmedewerker, maar dat dit op 1 januari 2015 nog niet was bereikt.

5.6.

Nu betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij al gedurende langere tijd de taken van de functie [naam functie 2] vervulde, moet het ervoor worden gehouden dat geen sprake is van volledig en in voldoende mate vervullen van de functie van

[naam functie 2] . Anders dan de rechtbank komt de Raad dan ook tot het oordeel dat deze functie voor betrokkene is aan te merken als een nieuwe functie. Nu vast staat dat betrokkene niet voldoet aan de betreffende voorwaarden heeft hij geen recht op inschaling in de uitloopschaal behorende bij die functie.

5.7.

Uit 5.1 tot en met 5.6 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 maart 2016 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2017.

(getekend) H.C.P. Venema

(getekend) J. Tuit

HD