Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3808

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
03-11-2017
Zaaknummer
15-5607 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering herleving WW-uitkering, omdat appellant niet binnen de termijn van 26 weken een aanvraag heeft ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5607 WW

Datum uitspraak: 18 oktober 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2015, 14/3889 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.E. Bol, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2016. Namens appellant is mr. Bol verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

Het onderzoek ter zitting is geschorst. Het Uwv heeft nadere stukken ingediend. Appellant heeft een zienswijze ingediend.

Het onderzoek ter zitting is vervolgens voortgezet op 6 september 2017. Appellant en verweerder zijn, met bericht niet, verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 5 juni 2002 heeft het Uwv appellant met ingang van 15 april 2002 in aanmerking gebracht voor een kortdurende uitkering op grond van hoofdstuk IIB van de Werkloosheidswet (WW). Vanuit deze situatie heeft appellant zich op 23 september 2002 ziek gemeld en is appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Bij besluit van 10 februari 2003 heeft het Uwv met ingang van dezelfde dag de

ZW-uitkering beëindigd. Dit besluit staat in rechte vast.

1.3.

Bij brief van 3 oktober 2013 met als bovenschrift: “Aanmelding werkloosheidswet met terugwerkende kracht, ingang 10 februari 2003” heeft appellant het Uwv verzocht om de WW-uitkering, waarvoor appellant met ingang van 15 april 2002 in aanmerking is gebracht, te laten herleven.

1.4.

Bij besluit van 5 februari 2014 heeft het Uwv geweigerd om appellant in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering, omdat hij binnen 26 weken na 10 februari 2003 een aanvraag had moeten indienen.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 20 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 februari 2014 ongegrond verklaard. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Niet in geschil is dat de ZW-uitkering van appellant met ingang van 10 februari 2003 is beëindigd. Appellant had vanaf die datum een WW-uitkering kunnen aanvragen. Van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de WW is volgens de rechtbank geen sprake. Omdat tussen 10 februari 2003 en 3 oktober 2013 meer dan 26 weken – zoals voorgeschreven in artikel 23 van de WW (oud) en het nu geldende artikel 35, eerste lid, van de WW – zijn verstreken, kan volgens de rechtbank in het midden worden gelaten of en hoe lang appellant nog recht had op een WW-uitkering.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank tot het oordeel had moeten komen dat er sprake is van een bijzonder geval door de combinatie van de onbekendheid met de regelgeving, geen verstrekking van informatie door het Uwv en beïnvloeding door medicatie. Daarnaast heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat door de ziekmelding en door werkzaamheden die hij van 1 mei 2002 tot 1 juni 2002 en van 29 juli 2002 tot 5 augustus 2002 heeft verricht, de looptijd van de WW-uitkering is onderbroken. Nadat hij hersteld was verklaard, had het Uwv het resterende recht op WW-uitkering dan ook moeten laten herleven.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Daarnaast heeft het Uwv toegelicht dat, rekening houdend met de door appellant genoemde werkzaamheden, voorafgaande aan 10 februari 2003, de maximale duur van de WW-uitkering al was bereikt op grond van de artikelen 19, eerste lid, onderdeel a, 43, tweede lid en 52h, van de WW, zoals deze in 2002 luidde.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is allereerst de vraag of appellant met ingang van 10 februari 2003 nog aanspraak kon maken op een WW-uitkering.

4.2.

Wetgeving zoals deze gold ten tijde in geding, luidde voor zover van belang als volgt.

4.2.1.

Op grond van hoofdstuk IIB van de WW, heeft de werknemer op grond van artikel 52a, met inachtneming van de artikelen 16 en 52b tot en met 52d en de daarop berustende bepalingen, die werkloos is, recht op een kortdurende uitkering. De duur van deze uitkering is op grond van artikel 52g van de WW zes maanden. Op grond van artikel 52c van de WW, zijn de artikelen 17a, 17c, 19 en 20 van de WW van overeenkomstige toepassing.

4.2.2.

Artikel 19, eerste lid, en onder a, van de WW, luidde:

Geen recht op uitkering heeft de werknemer die:

a. een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet of een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;

4.2.3.

Artikel 20, eerste lid, van de WW, luidde voor zover van belang:

Het recht op uitkering eindigt:

b. voor zover de werknemer niet langer werkloos is;

d. zodra de werknemer geen recht op uitkering heeft op grond van artikel 19;

e. zodra de voor de werknemer geldende uitkeringsduur is verstreken.

4.2.4.

Artikel 52d, eerste lid, van de WW, luidde:

1. Indien het recht op uitkering op grond van artikel 52c in verbinding met artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens de omstandigheid die tot dat eindigen heeft geleid heeft opgehouden te bestaan, herleeft het recht op uitkering met inachtneming van artikel 8 en artikel 21, derde lid, genoemde termijnen, voor zover geen nieuw recht op uitkering ingevolge dit hoofdstuk IIa bestaat.

4.2.5.

Artikel 52h van de WW, luidde:

1. Telkens nadat het recht op kortdurende uitkering na gehele eindiging van dat recht is herleefd op grond van artikel 52d, eindigt de kortdurende uitkering met inachtneming van het tweede lid, zoveel later dan de in artikel 52g genoemde periode als de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op kortdurende uitkering heeft geduurd.

2. Artikel 43, tweede, derde en vierde lid, is van toepassing.

4.2.6.

Artikel 43, tweede lid, van de WW, luidde:

2. Voor de vaststelling van de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op uitkering worden, telkens nadat het recht op uitkering geheel is geëindigd wegens ziekte, de eerste drie maanden waarin de werknemer een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, buiten beschouwing gelaten.

4.3.

Uit de wetgeving in 4.2 volgt dat door arbeid de WW-uitkering eindigde en vervolgens weer herleefde bij werkloosheid en eindigde zoveel later dan de voorgeschreven duur van zes maanden, als de periode tussen de eindiging en de herleving. Uit de in hoger beroep door appellant overgelegde stukken blijkt dat hij nadat het recht op WW-uitkering was ontstaan in 2002, vijf weken heeft gewerkt.

4.4.

Tevens is in hoger beroep duidelijk geworden dat gedurende de periode dat appellant ziek was, uit de artikelen 52h, tweede lid, en artikel 43, tweede lid, van de WW, volgt dat (ook) in het geval van de kortdurende uitkering de eerste drie maanden waarin een werknemer ziek was, voor de vaststelling van de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op uitkering, buiten beschouwing moeten worden gelaten.

4.5.

Indien appellant niet zou hebben gewerkt gedurende het recht op WW-uitkering zou de uitkering, na zes maanden, medio oktober 2002 zijn geëindigd. Deze datum wordt met de in 4.3 bepaalde vijf weken opgeschoven. Op het moment dat appellant zich ziek meldde op

23 september 2002 resteerde er zodoende nog acht weken WW-uitkering. Op grond van artikel 43, tweede lid, van de WW worden de eerste drie maanden waarin de werknemer een ZW-uitkering ontvangt buiten beschouwing gelaten voor de vaststelling van de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op WW-uitkering. Zodoende is het recht op

WW-uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, onder e, van de WW acht weken na de ziekmelding geëindigd en bestond er op het moment dat appellant hersteld werd verklaard op 10 februari 2003 geen recht op WW-uitkering. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit, op andere gronden, terecht ongegrond verklaard.

4.6.

Gelet op het voorgaande wordt aan de beoordeling van de overige beroepsgronden niet toegekomen.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd op andere gronden.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt is een veroordeling tot het vergoeden van wettelijke rente niet mogelijk, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat evenmin aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2017.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) J.W.L. van der Loo

KS