Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3800

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
03-11-2017
Zaaknummer
17-2097 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen aanstelling in de nieuwe functie. Te laat informeren van de beperkte inzetbaarheid waardoor het vertrouwen is geschonden. Niet verlengen tijdelijke aanstelling. Geen beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2018/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/2097 AW

Datum uitspraak: 2 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

31 januari 2017, 16/6336 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.M.T. Wigger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wigger. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Ameziane en M. van den Bosch.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als [medewerker functie 1] bij de [Dienst Y.] van de gemeente Den Haag, aanvankelijk op uitzendbasis, later op basis van een aanstelling voor bepaalde tijd van 1 april 2015 tot 1 april 2016 voor 24 uur per week.

1.2.

Op 2 november 2015 heeft appellante gesolliciteerd naar de functie van [medewerker functie 2] bij de [adeling 1] voor 36 uur per week. Op

9 november 2015 heeft appellante zich ziek gemeld. Op 16 november 2015 heeft zij haar werkzaamheden gedeeltelijk hervat.

1.3.

Op 17 november 2015 heeft een sollicitatiegesprek plaatsgevonden, waarbij appellante onder meer is gevraagd of er belemmeringen zijn om de functie uit te oefenen, omdat het een functie betreft die zowel mentaal als fysiek als zwaar wordt ervaren. Appellante heeft hier ontkennend op geantwoord. Op 27 november 2015 heeft appellante de bedrijfsarts bezocht, waarbij zij ook de lopende sollicitatie heeft besproken. Op 30 november 2015 heeft appellante met goed gevolg een assessment afgelegd, waarna op 15 december 2015 een vervolggesprek heeft plaatsgevonden met Z ( [adeling 1] ) en B. In dit gesprek is appellante te kennen gegeven dat haar de [medewerker functie 2] kan worden aangeboden per 1 februari 2016 en voor de duur van één jaar. Daarop heeft appellante contact gehad met haar leidinggevende, die haar heeft aangeraden de in het kader van haar ziekte geldende urenbeperking zo spoedig mogelijk te melden.

1.4.

Op 22 december 2015 heeft appellante met de bedrijfsarts besproken dat zij per 1 april 2016 weer volledig inzetbaar zou zijn. Bij e-mailbericht van 23 december 2015 heeft appellante Z laten weten dat zij in de nieuwe functie 36 uur per week zou willen gaan werken. Op 29 december 2015 heeft appellante Z een e-mailbericht gestuurd met het verzoek een afspraak te maken. Uiteindelijk heeft appellante, na enkele pogingen daartoe, telefonisch contact met Z gehad. Op 13 januari 2016 is toen voor 18 januari 2016, aansluitend op de training ter voorbereiding van de nieuwe functie, een gesprek gepland. Eerst op die laatste datum heeft appellante aan Z gemeld dat zij per 1 februari 2016 wegens ziekte slechts gedeeltelijk beschikbaar zou zijn, naar verwachting voor vier uur per dag. Op 21 januari 2016 is een vervolggesprek gepland, waar appellante niet is verschenen. Op 1 februari 2016 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden, waarbij appellante is gevraagd waarom zij haar beperkte beschikbaarheid niet eerder heeft gemeld. Dit was volgens appellante omdat zij ervan uitging dat de belastbaarheid vooral te maken had met het vele staan in de functie en daarin ondervond zij geen beperkingen. Op 4 februari 2016 is mondeling aan appellante te kennen gegeven dat, vanwege het verzwijgen van haar beperkte inzetbaarheid, de plaatsing in de nieuwe functie geen doorgang zal vinden.

1.5.

Bij besluit van 12 februari 2016 heeft het college appellante niet geplaatst op de [medewerker functie 2] op de grond dat door de handelwijze van appellante het vertrouwen in een goede samenwerking is geschaad. Volgens het college heeft appellante tijdens haar sollicitatie desgevraagd geen getrouw beeld geschetst van haar geschiktheid voor de functie en heeft zij daarmee gehandeld in strijd met artikel 1.5 van de Sollicitatiecode van de gemeente Den Haag (Sollicitatiecode). Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.6.

Op 8 februari 2016 is appellante mondeling te kennen gegeven dat haar tijdelijke aanstelling als [medewerker functie 1] niet wordt verlengd en van rechtswege afloopt op 31 maart 2016. Ook hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.7.

Op 3 maart 2016 heeft de bedrijfsarts bericht te verwachten dat appellante, zoals eerder besproken, per 1 april 2016 weer volledig hersteld zal zijn.

1.8.

Bij besluit van 27 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 8 februari 2016 en 12 februari 2016 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante haar beperkte inzetbaarheid tijdens het sollicitatiegesprek had moeten melden. Zij is terecht niet geplaatst in de [medewerker functie 2] . Er is een vertrouwensbreuk ontstaan en er is geen sprake van een verplichting tot voortzetting van het tijdelijk dienstverband bij [afdeling] .

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten appellante niet aan te stellen in de nieuwe functie. Appellante had haar leidinggevende eerder moeten informeren over haar beperkte inzetbaarheid en door dit niet te doen heeft zij het vertrouwen geschonden. Het college heeft voorts in de gegeven omstandigheden in redelijkheid kunnen besluiten om de tijdelijke aanstelling bij [afdeling] niet te verlengen. Daargelaten dat de aanstelling van rechtswege eindigt, heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat afbreuk is gedaan aan de vertrouwensbasis die voor de voortzetting van het dienstverband noodzakelijk is. Bovendien was de functie van appellante bij [afdeling] reeds ingevuld. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Besluit tot niet plaatsen in de functie medewerker A&I

4.1.

Op grond van artikel 1.5 van de Sollicitatiecode verschaft de sollicitant de informatie aan de dienst die deze nodig heeft om een waar en getrouw beeld te krijgen van de geschiktheid van de sollicitant voor de vacante functie.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraken van 7 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1576, en van 19 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2323) heeft het bestuursorgaan in een sollicitatieprocedure zoals hier aan de orde beoordelingsvrijheid. Daarom is de toetsing door de rechter terughoudend. Zij is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen.

4.3.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA4534, en van 12 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH4715) betekent het enkele feit dat bij een sollicitatie geen vragen mogen worden gesteld over de gezondheidstoestand van de sollicitant nog niet dat de sollicitant onder geen enkele omstandigheid gehouden is relevante informatie over zijn gezondheid uit eigen beweging te verstrekken.

4.4.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet tijdig kenbaar maken van de beperkte inzetbaarheid tot een vertrouwensbreuk heeft geleid. Daarbij is van belang dat de functie snel moest worden opgevuld, waardoor directe inzetbaarheid noodzakelijk was. Het had op de weg van appellante gelegen om haar nieuwe leidinggevende Z over haar beperkte inzetbaarheid per

1 februari 2016 te informeren op het moment dat dit voor haar duidelijk was. Dat was in elk geval aan de orde na het contact met de bedrijfsarts op 22 december 2015. De stelling van appellante dat het college al op de hoogte was van haar arbeidsongeschiktheid omdat de nieuwe functie onder dezelfde dienst viel treft geen doel, nu informatievoorziening over de arbeidsongeschiktheid van een ambtenaar is beperkt tot de ambtenaar, de leidinggevende en de bedrijfsarts. Het is gebruikelijk noch wenselijk dat andere afdelingen hiervan op de hoogte worden gebracht. Gelet op de diverse contactmomenten met Z, zowel per e-mail als per telefoon, had appellante in de periode na 22 december 2015 voldoende gelegenheid om haar beperkte inzetbaarheid te melden. Toen appellante op 23 december 2015 Z per e-mail verzocht om meer uren (36 uur) te gaan werken, had zij Z ook kunnen informeren over haar beperkte inzetbaarheid. Dat appellante de kwestie graag persoonlijk wilde bespreken is begrijpelijk, maar dat neemt niet weg dat zij Z op enige manier had moeten inlichten teneinde hem de urgentie van de kwestie duidelijk te maken. Door Z pas op 18 januari 2016 op de hoogte te stellen van haar beperkte inzetbaarheid, heeft zij hem te laat geïnformeerd en daarmee het vertrouwen in haar geschonden. Het college heeft gelet hierop in redelijkheid kunnen besluiten appellante niet aan te stellen in de nieuwe functie.

Besluit tot niet verlengen tijdelijke aanstelling

4.5.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3499) brengt de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld mee dat het bestuursorgaan die aanstelling na afloop van de gestelde termijn niet hoeft te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:133) geldt daarbij wel de voorwaarde dat het bestuursorgaan met het besluit om de aanstelling niet voort te zetten niet in strijd komt met het geschreven of ongeschreven recht.

4.6.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat geen toereikende grondslag voor het besluit van het college bestaat. Met het verzwijgen van de beperkte inzetbaarheid in de sollicitatieprocedure en het negeren van het advies van haar leidinggevende heeft appellante afbreuk gedaan aan de vertrouwensbasis die voor voortzetting van het dienstverband noodzakelijk is. Daar komt bij dat de functie van appellante bij [afdeling] inmiddels was ingevuld.

4.7.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Appellante heeft niet aan de hand van concrete gegevens onderbouwd dat de collega’s van wie de contracten wel zijn verlengd kunnen worden beschouwd als gelijke gevallen.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en M. Kraefft en R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) L.V. van Donk

HD