Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:38

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2017
Datum publicatie
16-01-2017
Zaaknummer
15/2034 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Schending inlichtingenverplichting ten aanzien van woonadres. Houden aan verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2034 WWB

Datum uitspraak: 3 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
11 maart 2015, 15/7 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Boekel (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.M.A. van den Boogaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Boogaard. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Königs.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 1 januari 2010 bijstand, ten tijde in geding ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%. Appellante stond vanaf 26 februari 2008 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans basisregistratie personen, op het adres van haar ouders aan [adres 1] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van gerezen twijfel over het feitelijk verblijf van appellante op het uitkeringsadres heeft een sociaal rechercheur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Optimisd een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek gedaan, registraties geraadpleegd, waaronder de Dienst Wegverkeer (RDW), kennisgenomen van politiegegevens via BlueView, in de periode van 9 februari 2014 tot en met 16 maart 2014 waarnemingen verricht in de nabijheid van het uitkeringsadres, buurtbewoners van het uitkeringsadres gehoord en op 17 maart 2014 op het uitkeringsadres een onaangekondigd huisbezoek afgelegd. Op diezelfde datum heeft de sociaal rechercheur, tezamen met een klantmanager, appellante gehoord. Appellante heeft bij die gelegenheid onder meer verklaard:

“U vraagt naar de heer [naam] (J). Die ken ik dat is een vriend die in [gemeente] woont op de [adres 2] . Ik heb met J een relatie en ben daar regelmatig. Ik heb deze relatie sinds eind 2012. Dit weekend ben ik bij hem wezen slapen. Vanaf januari 2013 ben ik meer in [gemeente] dan in [woonplaats] . [...] Ik vertel u dat ik nu zeker een jaar meer bij mijn vriend in [gemeente] ben dan bij mijn ouders in [woonplaats] . Als ik een datum moet noemen dan zal dat 1 januari 2013 zijn dat ik niet meer bij mijn ouders te [woonplaats] woon. [...] Ik vertel u nogmaals dat ik sedert 1 januari 2013 meer bij mijn vriend J te [gemeente] verblijf dan bij mijn ouders te [woonplaats] . Soms kom ik nog bij mijn ouders te [woonplaats] . Ik wist niet eens of ik dat moest melden of, weet ik veel. In het begin van de relatie wil je eerst proberen.” De onderzoeksbevindingen zijn opgenomen in een rapport van 19 maart 2014.

1.3.

Het college heeft in de resultaten van het onderzoek aanleiding gezien bij besluit van

31 maart 2014 de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2013 in te trekken en de over de periode van 1 januari 2013 tot 1 maart 2014 gemaakte kosten van bijstand en langdurigheidstoeslag tot een bedrag van € 13.850,66 van appellante terug te vorderen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante niet meer woonachtig is in de gemeente [woonplaats] en dat zij derhalve geen recht op bijstand meer heeft jegens de gemeente Boekel.

1.4.

Bij besluit van 11 december 2014 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van

31 maart 2014 na bezwaar gehandhaafd met wijziging van de grondslag daarvan, in die zin dat aan de intrekking en terugvordering ten grondslag ligt dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij niet meer woonachtig is op het uitkeringsadres, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld vanaf

1 januari 2013.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 januari 2013 tot en met 31 maart 2014.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandsverlenend orgaan is om de nodige kennis over relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandsverlenend orgaan rust.

4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie te verstrekken over zijn woonadres, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.4.1.

Appellante heeft aangevoerd dat zij haar verklaring op 17 maart 2014 heeft afgelegd onder een druk, die in samenhang met haar psychische klachten zodanig was, dat aan die verklaring geen bewijskracht toekomt. Appellante heeft daartoe een ongedateerde behandelovereenkomst, alsook informatie van 21 mei 2014 en 3 september 2014 van haar behandelend psychiater overgelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. In dit geval bestaan onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt.

4.4.3.

Appellante heeft haar verklaring op 17 maart 2014 afgelegd tegenover een sociaal rechercheur en die verklaring na voorlezing ondertekend. Uit de door appellante overgelegde informatie blijkt weliswaar dat zij psychische klachten heeft, maar niet dat zij als gevolg van die klachten tijdens het gehoor niet meer helder kon nadenken en daardoor niet in overeenstemming met de waarheid heeft verklaard over haar feitelijke woon- en leefsituatie. De informatie van de behandelend psychiater dat uitgeoefende druk bij een persoon met een psychisch trauma, zoals appellante, tot uitschakeling van het denkvermogen kan leiden is niet in geschil. Dat appellante tijdens het gesprek op 17 maart 2014 in een dergelijke staat verkeerde, heeft appellante echter met de beschikbare informatie van haar behandelend psychiater niet aannemelijk gemaakt. Dit volgt ook niet uit de verklaring van appellante. Appellante heeft tijdens het gehoor concreet verklaard over haar feitelijke woon- en leefsituatie. Appellante heeft verder haar stelling dat gedreigd zou zijn met intrekking van de bijstand als appellante de verklaring niet zou ondertekenen, niet met enig gegeven onderbouwd. Hiervoor zijn ook anderszins geen concrete aanknopingspunten. Uit de verklaring van appellante blijkt juist dat appellante niet eenmaal, maar bij herhaling heeft verklaard dat zij vanaf 1 januari 2013 hoofdzakelijk bij haar vriend in [gemeente] verblijft. Haar verklaring daarover is consistent en gedetailleerd en voorzien van een toelichting. Daarnaast is appellante onder meer in staat gebleken om tegenover de sociaal rechercheur, ondanks de gestelde druk, twee keer te weigeren om de namen te noemen van haar vrienden. De enkele omstandigheid dat het gesprek twee uur heeft geduurd, zoals appellante heeft gesteld, leidt niet tot een ander oordeel, evenmin als het feit dat het de vader van appellante niet was toegestaan het gesprek bij te wonen. De omstandigheid dat appellante zich de dag na het gesprek in overspannen toestand bij de behandelend psychiater heeft gemeld doet aan het voorgaande niet af, nu de oorzaak van die gemoedstoestand niet is komen vast te staan.

4.5.

De verklaring van appellante dat zij sinds 1 januari 2013 meer bij haar vriend in [gemeente] verbleef en niet meer bij haar ouders op het uitkeringsadres woonde, is in lijn met de waarnemingen nabij het uitkeringsadres, waarbij appellante en/of haar auto geen enkele keer zijn gezien, en wordt bovendien ondersteund door de verklaringen van een tweetal buurtbewoners van het uitkeringsadres. Deze buurtbewoners hebben op 20 februari 2014 eenduidig en onafhankelijk van elkaar verklaard dat appellante ten tijde van belang niet langer bij haar ouders op het uitkeringsadres woonde. Deze verklaringen van de buurtbewoners komen voort uit eigen waarneming en zien op de feitelijke woonsituatie in de hier te beoordelen periode. Appellante heeft gesteld dat aan de verklaringen van de buurtbewoners geen gewicht toekomt als gevolg van een conflict met appellante en haar ouders. Voor zover appellante hiermee de objectiviteit en daarmee de betrouwbaarheid van die verklaringen in twijfel wil trekken, bestaat hiervoor geen grond, reeds omdat ook de verklaringen van de buurtbewoners in lijn zijn met de verklaring van appellante zelf en met de waarnemingen.

4.6.

De onderzoeksgegevens bieden gelet op het voorgaande, anders dan appellante heeft aangevoerd, een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellante in de te beoordelen periode niet woonachtig is geweest op het uitkeringsadres. Appellante heeft hiervan in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding gemaakt. Nu de woonsituatie van appellante onduidelijk is gebleven, kan niet worden vastgesteld of zij in deze periode recht had op bijstand. Het college was daarom gehouden de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2013 in te trekken. Voorts was het college gehouden de gemaakte kosten van bijstand over de te beoordelen periode van appellante terug te vorderen.

4.7.

Nu appellante tegen de terugvordering geen zelfstandige gronden heeft aangevoerd, behoeft deze geen verdere bespreking.

4.8.

Uit 4.4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en W.F. Claessens en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2017.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) J. Smolders

HD