Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3796

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
03-11-2017
Zaaknummer
16-5107 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag: geen medische noodzaak voor een vakantie of rustperiode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5107 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak: 2 november 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 juli 2016, kenmerk BZ01986371 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2017. Daar is appellant niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1923, is op grond van lichamelijke invaliditeit (amputatie linker onderbeen) erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Aan hem zijn naast een periodieke uitkering ook voorzieningen toegekend.

1.2.

In januari 2015 heeft appellant verzocht om een voorziening voor extra vakantie van driemaal per jaar een verblijf van twee dagen in Parc Imstenrade. Bij besluit van 29 februari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat voor de gevraagde voorziening een medische noodzaak ontbreekt.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Volgens het beleid van verweerder kunnen de kosten van een extra vakantie worden vergoed indien er sprake is van een medische noodzaak voor een vakantie of rustperiode:

- ter reconvalescentie voor een causale aandoening na een recent ondergane operatieve ingreep of andersoortige medische behandeling, op voorschrift van een behandelend arts, of

- ter preventie van een acute verergering dan wel een dreigend recidief van een acuut en ernstig naar buiten tredende causale aandoening, op voorschrift van de behandelend arts en onder voorwaarde dat medische begeleiding op de vakantiebestemming aanwezig is.

Bij personen boven de 70 jaar - zoals appellant - kunnen de kosten ook worden vergoed indien de extra vakantie op grond van niet-causale aandoeningen medisch noodzakelijk is. Dit strikte beleid is door de Raad al in vele uitspraken acceptabel geacht (bijvoorbeeld de uitspraak van 29 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5138).

2.2.

Verweerder heeft de aanvraag voorgelegd aan de geneeskundig adviseur A.J. Maas. Deze arts heeft onder meer op basis van de informatie van de huisarts en de revalidatiearts van appellant geen medische noodzaak voor het gevraagde verblijf kunnen vaststellen. Het bezwaar is voorgelegd aan een andere geneeskundig adviseur, de arts R.J. Roelofs. Hij heeft het advies van Maas onderschreven. Volgens Roelofs bestaat er geen medische noodzaak op grond van welke klachten dan ook voor extra vakantie/verblijf in een zorghotel.

2.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij sinds het overlijden van zijn echtgenote niet op vakantie is geweest. Verder beschrijft hij het leed dat hij heeft ondergaan in de oorlog. Dit maakt het verzoek van appellant invoelbaar. Uit de genoemde medische adviezen komt echter niet naar voren dat bij appellant sprake is van een herstelperiode na ziekenhuisopname of operatie, dan wel dat er sprake is van een acuut dreigende psychische decompensatie. Andersluidende medische gegevens zijn door appellant niet ingediend. Aan de onder 2.1 genoemde voorwaarden voor het toekennen van een vergoeding van extra vakantie wordt door appellant niet voldaan. De Raad ziet dan ook, gegeven het juridisch kader, geen ruimte om anders te oordelen dan verweerder heeft gedaan.

2.4.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) L.V. van Donk

HD