Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3794

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
03-11-2017
Zaaknummer
16/5364 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Eerste aanvraag. Ingangsdatum van de toekenningen. Woonplaatsvereiste. Met het per 16 mei 2008 schrappen van het woonplaatsvereiste in de Wubo kunnen ook personen woonachtig buiten de Europese Unie aanspraak maken op voorzieningen krachtens de Wubo. Het schrappen van het woonplaatsvereiste heeft verweerder ertoe gebracht betrokkenen woonachtig buiten de Europese Unie gericht te benaderen en hen te wijzen op de wetswijziging. Dit betrof het project Brede benadering buitenland. Alleen die personen zijn benaderd die bij verweerder bekend waren naar aanleiding van eerdere aanvragen en die werden afgewezen op grond van het woonplaatsvereiste. Appellant heeft eerder geen aanvraag ingediend. Hij was dus niet bekend bij verweerder en is dus niet benaderd in het kader van dat project. De omstandigheid dat hij wel bekend is bij de Ambassade maakt dat niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5364 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Nieuw-Zeeland (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 2 november 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 27 juli 2016, kenmerk BZ01975709 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen

burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2017. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1938, heeft in februari 2015 bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wubo.

1.2.

Bij besluit van 29 februari 2016 heeft verweerder erkend dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld. Aanvaard is dat hij psychische klachten heeft die in verband staan met het meegemaakte oorlogsgeweld en dat deze klachten hebben geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. Vervolgens zijn ingaande 1 februari 2015 aan appellant toegekend de toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden, een vergoeding voor huishoudelijke hulp, een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer, een vergoeding voor vervoer voor medische behandelingen en/of consulten en een vergoeding voor niet-gedekte medische behandeling en medicijnen in verband met de psychische klachten. Het bezwaar gericht tegen de ingangsdatum van deze toekenningen is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

In artikel 40, eerste lid, van de Wubo is, voor zover hier van belang, bepaald dat de toeslag, de vergoeding en tegemoetkoming ingaan op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend. Op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wubo is verweerder bevoegd in het voordeel van de betrokkene af te wijken van het bepaalde in het eerste lid indien, rekening houdende, met alle omstandigheden, een dergelijke afwijking in een individueel geval noodzakelijk wordt geacht.

2.2.

Verweerder heeft de hoofdregel van artikel 40, eerste lid, van de Wubo toegepast en de ingangsdatum van de toekenningen gesteld op 1 februari 2015. Dat is de eerste dag van de maand waarin appellant de aanvraag heeft ingediend. Van de hem in het tweede lid van

artikel 40 van de Wubo gegeven bevoegdheid om hiervan af te wijken heeft verweerder geen gebruik gemaakt.

2.3.

Appellant betoogt dat verweerder aanleiding had moeten zien om de toeslag en de voorzieningen toe te kennen per 1 mei 2008, het moment waarop het woonplaatsvereiste in de Wubo is geschrapt. Appellant acht een terugwerkende kracht tot en met mei 2008 rechtvaardig omdat de ambassade heeft nagelaten hem te informeren over het vervallen van het woonplaatsvereiste. Anders had hij eerder de aanvraag ingediend.

2.4.

Dit betoog treft geen doel. Met het per 16 mei 2008 schrappen van het woonplaatsvereiste in de Wubo kunnen ook personen woonachtig buiten de Europese Unie aanspraak maken op voorzieningen krachtens de Wubo. Het schrappen van het woonplaatsvereiste heeft verweerder ertoe gebracht betrokkenen woonachtig buiten de Europese Unie gericht te benaderen en hen te wijzen op de wetswijziging. Dit betrof het project Brede benadering buitenland. Alleen die personen zijn benaderd die bij verweerder bekend waren naar aanleiding van eerdere aanvragen en die werden afgewezen op grond van het woonplaatsvereiste. Appellant heeft eerder geen aanvraag ingediend. Hij was dus niet bekend bij verweerder en is dus niet benaderd in het kader van dat project. De omstandigheid dat hij wel bekend is bij de Ambassade maakt dat niet anders. Verder is het vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2650) dat de ingangsdatum van de toekenningen alleen dan met terugwerkende kracht moet worden gesteld op de datum van het starten van het project indien de aanvraag naar aanleiding van dat project is ingediend. Dat is hier niet het geval. Appellant is door zijn broer en zuster gewezen op de mogelijkheden van de Wubo. Dat appellant niet bekend was met de veranderde wetgeving vormt geen reden voor een toekenning met terugwerkende kracht van uitkeringen of voorzieningen (zie de uitspraak van 29 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5139). Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in het geval van appellant van de hoofdregel van artikel 40, eerste lid, van de Wubo had moeten afwijzen is dan ook niet gebleken.

2.5.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) L.V. van Donk

HD