Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3790

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
03-11-2017
Zaaknummer
15/6523 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing uit de opleiding. Appellant voldeed niet aan de praktijkgedeelte van de opleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6523 MAW

Datum uitspraak: 2 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

31 augustus 2015, 14/2385 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Op verzoek van de Raad heeft de minister een schriftelijke reactie en een nader stuk ingediend. Appellant heeft hierop gereageerd.

De minister heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Namens appellant heeft mr. J.M.R. Vlaar, advocaat, de gronden van het hoger beroep aangevuld en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vlaar. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.C.H. Pot, G. Teisman, mr. A.A.S.J. Niekamp en A.F.J.L. Veurman. Ter zitting is het onderzoek geschorst.

De minister heeft op verzoek van de Raad een schriftelijke reactie en nadere stukken en uit eigen beweging een e-mailbericht overgelegd.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2017. Appellant is opnieuw verschenen, bijgestaan door mr. Vlaar. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Pot, Teisman, mr. Niekamp, Veurman en R. Janssen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is bij besluit van 19 december 2002 met ingang van 31 maart 2003 aangesteld als beroepsmilitair bij de Koninklijke Luchtmacht. Op 26 juni 2003 heeft hij de initiële militaire opleiding afgerond. Hij was werkzaam als korporaal Vliegtuigonderhoud bij de [vliegbasis].

1.2.

Appellant is met ingang van 12 juli 2010 aangewezen voor het volgen van de opleiding tot Sergeant Technician B1-1 F-16 (opleiding).

1.3.

Appellant heeft het theoriegedeelte van de opleiding met voldoende resultaat afgerond, waarna hij bij besluit van 13 januari 2011 is aangewezen voor het praktijkgedeelte van de opleiding, te weten [praktijkgedeelte X.] ([praktijkgedeelte X.]) bij [de lokatie] ([de lokatie]).

1.4.

Naar aanleiding van een voorstel tot ontheffing van appellant uit de opleiding op grond van tussentijdse beoordelingen tijdens de [praktijkgedeelte X.] heeft op 1 september 2011 een zitting plaatsgevonden van de Commissie van Advies Koninklijke Militaire School Luchtmacht (commissie). De commissie heeft onder meer geconcludeerd dat appellant, op basis van de opgemaakte beoordelingen, dicht tegen een gehele negatieve beoordeling aanzit, maar dat zijn dossier niet zorgvuldig is opgemaakt. Geadviseerd is onder meer om appellant de [praktijkgedeelte X.] te laten hervatten bij [de lokatie] en hem wekelijks te laten beoordelen op enkele competenties die van een beginnend leidinggevende verwacht mogen worden, waarbij altijd wordt gekeken naar ‘veilig handelen’. Ten slotte is aangegeven dat bij een volgend voorstel tot ontheffing zal worden overgegaan tot ontheffing uit de opleiding.

1.5.

Appellant heeft zijn [praktijkgedeelte X.] voortgezet bij [de lokatie] en vanaf 10 oktober 2011 op [vliegbasis], waarna opnieuw een voorstel tot ontheffing van appellant uit de opleiding is gedaan in verband met onvoldoende behaalde resultaten tijdens de [praktijkgedeelte X.]. Naar aanleiding van het voorstel tot ontheffing heeft op 1 december 2011 een zitting plaatsgevonden van de commissie, die geadviseerd heeft om appellant te ontheffen uit de opleiding. De Commandant Koninklijke Militaire School Luchtmacht Vliegbasis Woensdrecht heeft ingestemd met dit advies.

1.6.

Bij besluit van 6 februari 2012 heeft de minister appellant op grond van artikel 16d van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), per 1 januari 2012 ontheven uit de opleiding.

1.7.

Bij besluit van 10 maart 2014 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen de ontheffing uit de opleiding ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de minister in redelijkheid had moeten afzien gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot ontheffing. Anders dan appellant stelt, heeft hij de opleiding niet met goed gevolg voltooid. De stellingen dat appellant is gedwongen de opleiding te volgen, waarbij de beoordelaars niet objectief waren, in strijd met de interne richtlijnen is gehandeld en niets is nagelaten om een negatief beeld van appellant te creëren met als doel hem uit de organisatie te werken, zijn naar het oordeel van de rechtbank niet met objectieve stukken onderbouwd. De minister mocht de adviezen van de commissie van 1 september 2011 en 1 december 2011 alsmede de tussentijdse negatieve beoordelingen aan het bestreden besluit ten grondslag leggen. Daarmee is het bestreden besluit voldoende onderbouwd en gemotiveerd.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 16d van het AMAR is, voor zover relevant, bepaald dat de militair die is aangewezen voor het volgen van een opleiding daarvan kan worden ontheven, indien hij niet voldoet aan de voor de opleiding gestelde eisen of indien ontheffing in het belang van de dienst of van de militair noodzakelijk is.

4.2.

De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat hij voldeed aan alle opleidingseisen en dat het volgen van de [praktijkgedeelte X.] voor hem overbodig was. Appellant heeft niet betwist dat hij niet eerder een [praktijkgedeelte X.] heeft gevolgd en behaald. Deze [praktijkgedeelte X.] vormde het praktijkgedeelte van de opleiding, waarbij het doel is dat de leerling/omscholer theoretische kennis op een veilige wijze in de praktijk brengt. Ook is niet gebleken van redenen om de duur van de [praktijkgedeelte X.] te verkorten.

4.3.

De minister heeft het standpunt ingenomen dat appellant tijdens de [praktijkgedeelte X.], gelet op de tussentijdse negatieve beoordelingen, vrijwel geen stijgende lijn heeft laten zien in de uitvoering van zijn werkzaamheden. Dit was reden om op 7 november 2011, voor de tweede keer, een voorstel tot ontheffing in te dienen. Tijdens de zitting van de commissie op

1 december 2011 is te kennen gegeven dat appellant op de competenties ‘communicatie’, ‘leervermogen’ en ‘resultaatgerichtheid’ onvoldoende scoort en dat de competentie ‘flexibiliteit’ niet goed te beoordelen was vanwege het lage werktempo van appellant. Volgens de mentor van [vliegbasis], sergeant-majoor B, is het onverantwoord om appellant aan een F-16 te laten sleutelen, omdat hij belangrijke punten uit de job guide overslaat, een afwachtende houding aanneemt en de communicatie beneden peil is. In aanmerking genomen deze feitelijke onderbouwing, die appellant niet inhoudelijk heeft bestreden, bestaat geen grond voor het oordeel dat het standpunt van de minister niet houdbaar is.

4.4.

Het betoog van appellant dat zijn beoordelingen onbetrouwbaar zijn, omdat de coderingen op zijn beoordelingsformulieren niet identiek zijn, wordt niet gevolgd. Op alle door appellant overgelegde beoordelingsformulieren zijn de coderingen in vier gradaties weergegeven. Op het beoordelingsformulier van 23 september 2011 van appellant staat bij ‘algemene houding’ ‘normaal’ aangekruist. Dit komt overeen met de codering ‘goed’ op het door appellant overgelegde voorbeeldformulier.

4.5.

Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het een vooropgezet plan was om appellant niet te laten slagen voor de [praktijkgedeelte X.] en dat zijn beoordelaars bevooroordeeld waren. Appellant is gedurende de [praktijkgedeelte X.] bij verschillende eenheden door in totaal vier begeleiders en een mentor beoordeeld en begeleid. Zij waren allen van mening dat appellant niet voldeed aan de [praktijkgedeelte X.]-eisen.

4.6.

Gezien het vorenstaande ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellant niet in redelijkheid van de opleiding kon worden ontheven. Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en B.J. van de Griend en

H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2017.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) A.M. Pasmans

HD