Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3784

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
02-11-2017
Zaaknummer
16/1885 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Terecht geschikt geacht voor de in het kader van de EZWb geselecteerde functies. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1885 ZW

Datum uitspraak: 1 november 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

26 februari 2016, 15/2980 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R.T. van Baarlen hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2017. Namens appellante is

Van Baarlen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als medewerkster thuiszorg. Op 9 juni 2011 heeft zij zich ziek gemeld met onder meer hartklachten klachten van het borstbeen en vermoeidheid. Haar dienstverband is met ingang van 31 augustus 2011 beëindigd. Bij besluit van 17 april 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 6 juni 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij beslissing op bezwaar van 16 augustus 2013 is dat besluit gehandhaafd. Daartegen is geen beroep ingesteld.

1.2

Vanuit de situatie dat appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, heeft zij zich met ingang van 18 oktober 2013 ziek gemeld. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van

18 november 2014 vastgesteld dat appellante per 19 december 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar vroegere arbeid en voor de functies die voor haar geselecteerd waren bij de beoordeling van haar aanspraken op grond van de Wet WIA, maar wel tot het vervullen van de functies van productiemedewerker, inpakker en besteller. Tegen dat besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Het Uwv heeft appellante opnieuw in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de WW. Appellante heeft zich op 15 april 2015 weer ziek gemeld met herhaalde en toegenomen pijnklachten. In verband hiermee heeft zij op 27 mei 2015 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 3 juni 2015 geschikt geacht voor de in het kader van de EZWb geselecteerde functies van productiemedewerker, inpakker en besteller. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 27 mei 2015 vastgesteld dat appellante per 3 juni 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 24 augustus 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van

18 augustus 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Kort samengevat heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een voldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat de beperkingen van appellante op 3 juni 2015 niet zijn onderschat. Daarvan uitgaande heeft de rechtbank geoordeeld dat de artsen van het Uwv terecht hebben geconcludeerd dat appellante nog steeds geschikt is voor de functies van productiemedewerker, inpakker en besteller.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante met verwijzing naar wat zij in beroep heeft aangevoerd herhaald dat ten onrechte geen verdere inlichtingen bij haar behandelaars zijn ingewonnen over de ontwikkeling van haar aandoeningen en de gevolgen van de gebruikte medicaties voor haar klachten en beperkingen. Zij meent dat haar beperkingen zijn onderschat. Het Uwv had bij de beoordeling van haar ZW-aanspraken moeten uitgaan van de eerder geselecteerde WIA-functies. Zij stelt zich op het standpunt dat de als maatstaf arbeid gehanteerde functies niet passend zijn, gelet op haar beperkingen. Tot slot heeft zij vermeld dat zij na 3 juni 2015 nogmaals tweemaal voor de ZW is geaccepteerd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Zoals is overwogen in de uitspraak van 22 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1225) lijdt deze regel in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. Appellante wordt dus niet gevolgd in haar standpunt dat de bij de beoordeling van de WIA-aanspraken in 2013 geselecteerde functies als arbeidsmaatstaf hebben te gelden. Er heeft immers in dit geval, anders dan in de door haar genoemde uitspraak van 24 februari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:740) aan de orde was, een EZWb plaatsgevonden.

4.2.

Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat het Uwv nadere inlichtingen had moeten inwinnen bij haar behandelaars over haar actuele situatie en over de gevolgen van haar medicatiegebruik. Naar aanleiding van het door appellante tegen het besluit van

27 mei 2015 ingediende bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 7 juli 2015 inlichtingen ingewonnen bij appellantes huisarts, waarbij ook verzocht is om gegevens over behandelingen, behandelingsresultaten en relevante correspondentie. In de informatie van de huisarts zijn gegevens vermeld van de dermatoloog, de cardioloog, de internist en van de spoedeisende hulp, alle betrekking hebbende op de periode januari 2015 tot 8 juli 2015. In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 augustus 2015 is deze informatie inzichtelijk weergegeven en kenbaar betrokken bij de beoordeling van de in bezwaar geuite klachten en beperkingen. Niet valt in te zien dat deze verzekeringsarts meer en andere informatie had moeten inwinnen. Dat die informatie geen juist beeld zou geven van de situatie in geding is door appellante niet onderbouwd. Ook in hoger beroep zijn, behalve informatie over 2016 van een MDL-arts en een overzicht van verstrekte medicatie in 2016, geen medische gegevens door appellante ingebracht die aanleiding geven te twijfelen aan de medische beoordeling per 3 juni 2015.

4.3.

Uit de ter zitting gedane mededeling dat inmiddels door de behandelend artsen van appellante wijziging in medicatie is doorgevoerd wegens ongewenste gevolgen van de combinatie van de verschillende medicijnen op haar gezondheid, kan niet worden afgeleid dat haar arbeidsmogelijkheden op de in geding zijnde datum onjuist zijn beoordeeld. Zoals namens appellante ook is opgemerkt, heeft een verzekeringsarts in een rapport van 17 oktober 2014 melding gemaakt van door appellante geuite bijwerkingen van medicatie. Met inachtneming van alle toen bekende gegevens, waaronder genoemde bijwerkingen, heeft die verzekeringsarts op 17 oktober 2014 in het kader van de EZWb een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgemaakt. Uit de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat het standpunt van de verzekeringsarts van 27 mei 2015 wordt onderschreven dat de FML van 17 oktober 2014 onveranderd van toepassing wordt geacht. Daarbij is van belang dat uit het rapport van de verzekeringsarts van 27 mei 2015 blijkt dat deze arts bij de beoordeling de beschikking had over een actuele medicatielijst.

4.4.

Appellante wordt ook niet gevolgd in haar standpunt dat zij met haar aandoeningen ongeschikt is voor de in aanmerking genomen arbeid. De belastende aspecten van de functies, waarvoor appellante geschikt wordt geacht, zijn bij de EZWb in de beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 18 augustus 2015 de tremor aan de handen vermeld en ook inzichtelijk beoordeeld op mogelijke daaruit voortvloeiende gevolgen. Dat appellante met haar medicatie niet mag autorijden, zoals vereist in de functie van besteller, vindt geen bevestiging in de medische gegevens. Ook het standpunt van appellante dat het werk als inpakker van koekjes te veel werkdruk oplevert, wordt niet gevolgd. Uit de beschrijving van de belastende aspecten van deze functie kan worden afgeleid dat die functie past binnen de mogelijkheden van appellante.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en F.M.S. Requisizione en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

RB