Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3782

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
16/6221 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:6470, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking na opschorting. Het college was bevoegd. Geen uitzondering op grond van dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6221 PW

Datum uitspraak: 31 oktober 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

24 augustus 2016, 16/1234 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. van Dinter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 8 augustus 2017. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 15 juni 2011 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek heeft het college bij brief van 18 september 2015 appellant uitgenodigd voor een gesprek op 21 september 2015 met het verzoek nader genoemde stukken mee te nemen. Bij besluit van 21 september 2015 (opschortingsbesluit) heeft het college het recht op bijstand met ingang van 21 september 2015 opgeschort, op de grond dat appellant die dag niet is verschenen op de afspraak. Daarbij is appellant in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen door alsnog 24 september 2015 op gesprek te komen met het verzoek nader genoemde stukken, waaronder bankafschriften, mee te nemen.

1.2.

Bij besluit van 24 september 2015 (intrekkingsbesluit), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 januari 2016 (bestreden besluit), heeft het college met toepassing van

artikel 54, vierde lid, van de PW de bijstand met ingang van 21 september 2015 ingetrokken en de over de periode van 21 september 2015 tot en met 30 september 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 304,84 van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant het verzuim van 21 september 2015 niet heeft hersteld, aangezien hij niet naar het gesprek van 24 september 2015 is gekomen en evenmin de gevraagde stukken alsnog heeft overgelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 21 september 2015 op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW in rechte stand kan houden.

4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene van dat verzuim een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.3.

Niet is in geschil dat appellant niet is verschenen op het gesprek van 24 september 2015 en dat hij evenmin de gevraagde stukken alsnog heeft overgelegd. De door het college bij het opschortingsbesluit gevraagde stukken, waaronder bankafschriften, zijn, anders dan appellant heeft aangevoerd, van belang voor de verlening van bijstand.

4.4.

In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van het niet verschijnen op het gesprek en het niet verstrekken van de gevraagde gegevens. Appellant heeft aangevoerd dat het buitenproportioneel is dat door het missen van een oproep de bijstand niet alleen wordt opgeschort, maar ook wordt ingetrokken en teruggevorderd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Medewerkers van het college hebben het opschortingsbesluit persoonlijk in de brievenbus van appellant gedeponeerd. Het college mocht ervan uitgaan dat die post hem zo tijdig zou bereiken dat hij aan die uitnodiging gevolg kon geven of uitstel kon verzoeken. Indien appellant deze, voor hem bestemde en persoonlijk in de brievenbus gedeponeerde post niet heeft ontvangen, komt dit voor zijn risico. In wat appellant verder heeft aangevoerd zijn ook geen gronden gelegen voor het oordeel dat hem geen verwijt kan worden gemaakt.

4.5.

Het college was gelet op 4.3 en 4.4 bevoegd om met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW de bijstand van appellant met ingang van 21 september 2015 in te trekken. De gestelde omstandigheid dat appellant het college in het verleden consequent en volledig heeft geïnformeerd, maakt niet dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6.

Appellant heeft aangevoerd dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan het college had moeten afzien van terugvordering. Appellant heeft gesteld dat de belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen en hij heeft hiervoor gewezen op het feit dat hij een alleenstaande man is die afhankelijk is van zijn bijstand. Dringende redenen om van terugvordering af te zien als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken. In de door appellant gestelde financiële omstandigheden liggen geen dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin besloten, op grond waarvan het college had moeten afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2017.

(getekend) M. Hillen

(getekend) C.A.E. Bon

HD