Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3781

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
16/6626 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag. In aanmerking te nemen inkomsten. Geen leningen in periode van geen-bijstand. Niette verrekenen met bedrijfskosten. De beoordelingsperiode is niet juist vastgesteld. Bij alsnog toekennen van bijstand geldt geen beperking tot en met datum primair besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6626 PW

Datum uitspraak: 31 oktober 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 14 oktober 2016, 16/5857 en 16/5858 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Velthorst, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2017. Namens appellant is verschenen mr. Velthorst. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.M. Boegborn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 15 oktober 2015 gemeld om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) aan te vragen. Appellant ontvangt wisselende inkomsten uit werkzaamheden als zelfstandige.

1.2.

Bij brief van 19 april 2016 heeft het college appellant gevraagd om informatie te verstrekken. Bij besluit van 17 mei 2016 heeft het college de aanvraag afgewezen, op de grond dat appellant onvolledige inlichtingen heeft verstrekt als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.3.

Bij besluit van 31 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 17 mei 2016 gedeeltelijk gegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant alsnog de gevraagde informatie heeft geleverd, zodat het recht op bijstand kan worden vastgesteld. Met zijn inkomsten uit werkzaamheden als zelfstandige kon hij in november 2015 en mei 2016 geheel en in april 2016 grotendeels in de kosten van levensonderhoud voorzien. Daarnaast heeft appellant bijschrijvingen op zijn bankrekening ontvangen van [D.] (D) en [N.] (N). Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bijschrijvingen als leningen moeten worden aangemerkt. Het college heeft appellant bijstand toegekend over de periode van 1 december 2015 tot en met

31 maart 2016 onder verrekening van inkomsten. Over de perioden van 15 oktober 2015 tot en met 30 november 2015 en van 1 april 2016 tot en met 17 mei 2016 heeft appellant geen recht op bijstand, omdat hij in deze perioden over voldoende middelen kon beschikken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (de rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de door D en N verstrekte bedragen leningen betreffen. Verder heeft het college ten onrechte de verwervingskosten niet in mindering gebracht op de inkomsten van appellant. Voorts heeft het college nagelaten om het recht op bijstand over de periode na

17 mei 2016 te beoordelen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, worden tot de middelen gerekend alle inkomens- en vermogensbestanddelen waarover de alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138) heeft een betrokkene in beginsel geen recht op bijstand indien en voor zover hij zich periodieke middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan.

4.3.

Dit kan anders zijn indien die betrokkene in een periode waarin hij geen bijstand of ander inkomen ontvangt ter voorziening in zijn levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van leningen. Zie de uitspraak van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3872.

4.4.

De Raad heeft bij uitspraak van 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3188, overwogen dat de betrokkene in de situatie als bedoeld in 4.3 aannemelijk dient te maken dat er geen ander inkomen is en voorts dat het gaat om leningen die zijn verstrekt voor levensonderhoud. Daarvoor is van belang dat betrokkene aannemelijk maakt van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag hij de lening heeft ontvangen, dat bij de betaling, en niet later, de afspraak is gemaakt dat het een lening betreft en dat die dus terugbetaald moet worden en dat die lening voor levensonderhoud bedoeld is. Een bankoverschrijving met de vermelding “lening voor levensonderhoud” zal daartoe in beginsel volstaan.

4.5.

In dit geval bestaat geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat een betrokkene geen recht heeft op bijstand indien en voor zover hij zich periodieke middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan. Weliswaar blijkt uit de bankafschriften van appellant dat bij een aantal bijschrijvingen van N “lening” staat vermeld, maar daaruit blijkt nog niet dat het gaat om een lening die bestemd is “voor levensonderhoud”. Appellant heeft voorts met de door hem overgelegde, achteraf opgestelde, schuldbekentenissen van D en N van 27 juli 2016 niet aannemelijk gemaakt dat bij de betalingen reeds de afspraak is gemaakt dat het leningen betreffen en dat die dus terugbetaald moeten worden en dat die leningen voor levensonderhoud zijn bedoeld. Bovendien wordt in de schuldbekentenis van D een lening van € 2.000,- en in de schuldbekentenis van N een lening van € 6.745,- genoemd. Niet blijkt hoe deze totaalbedragen zich verhouden tot de bijschrijvingen op de bankrekening van appellant. Hieruit volgt dat het college de betalingen van D en N terecht als inkomen in aanmerking heeft genomen.

4.6.

Anders dan appellant heeft betoogd heeft het college de ontvangen inkomsten terecht niet verrekend met de gestelde bedrijfskosten, aangezien naar vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 27 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3622) verwervingskosten voor de toepassing van de Wet werk en bijstand niet in mindering mogen worden gebracht op ontvangen inkomsten. In dit geval bestaat geen aanleiding daarover voor de toepassing van de PW anders te oordelen.

4.7.

Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat ter beoordeling staat de periode van 15 oktober 2015 tot en met 17 mei 2016. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de aanvraag van appellant in eerste instantie bij besluit van 17 mei 2016 is afgewezen omdat appellant onvoldoende informatie had verstrekt over de periode vanaf de aanvraag op 15 oktober 2015 tot de datum van het afwijzingsbesluit. Nadat appellant in bezwaar alsnog de benodigde informatie had overgelegd, is deze periode opnieuw beoordeeld. Het college heeft verwezen naar rechtspraak van de Raad waaruit blijkt dat in geval van een aanvraag om bijstand de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel loopt vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Het college heeft daarnaast verwezen naar artikel 45, derde lid, van de PW.

4.8.

Dit standpunt is onjuist. Het college heeft de beoordeling ten onrechte beperkt tot de periode waarop het primaire besluit van 17 mei 2016 ziet. Het besluit tot toekenning van bijstand loopt in beginsel ook na 17 mei 2016 gewoon door. De toekenning tot en met 17 mei 2016 komt neer op een intrekking van de bijstand per die datum. Het college heeft aan die intrekking geen nadere motivering ten grondslag gelegd (vergelijk de uitspraak van

1 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4251). Artikel 45 van de PW maakt dit niet anders. Dat artikel ziet louter op de vaststelling van de bijstand per kalendermaand. Het derde lid van artikel 45 is daarop een uitzondering in die zin dat indien van toepassing de hoogte van de bijstand wordt vastgesteld over het deel van de kalendermaand volgend op het ontstaan van de bijstandbehoevendheid. De bijstandsnorm wordt dan naar rato van dit maanddeel vastgesteld en slechts inkomen over dat deel wordt in beschouwing genomen.

4.9.

Uit 4.8 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover niet is onderkend wat onder 4.8 is overwogen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover het college de toekenning van de bijstand heeft beperkt tot en met

17 mei 2016.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep (2 punten) en € 990,- in hoger beroep (2 punten), in totaal derhalve € 1.980,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2016 gegrond en vernietigt dat besluit

voor zover het college de toekenning heeft beperkt tot en met 17 mei 2016;

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2017.

(getekend) M. Hillen

(getekend) C.A.E. Bon

HD