Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3780

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
15/5729 TW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering toeslag op grond van de Toeslagenwet. Gezamenlijke huishouding. Onweerlegbaar rechtsvermoeden gelet op de uit relatie geboren kinderen. Geen strijd met artikel 26 IVBPR

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 5729 TW-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 juli 2015, 14/3906 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 17 oktober 2017

Zitting hebben: O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en J.L. Boxum als leden

Griffier: J. Tuit

Ter zitting is appellant, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A Put.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1. Appellant ontving vanaf 26 maart 2012 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (Tw) in aanvulling op zijn werkloosheidsuitkering. Hij woonde toen op hetzelfde adres als [S.] (S). Een inspecteur van het Uwv (inspecteur) heeft op 18 september 2013, in het kader van een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellant, een gesprek gevoerd met appellant en S. Op basis daarvan heeft het Uwv bij besluit van 24 oktober 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 mei 2014 (bestreden besluit), de toeslag van appellant met ingang van 26 maart 2012 herzien (lees: ingetrokken) en de over de periode van 26 maart 2012 tot en met 1 september 2013 uitbetaalde toeslag van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 4.468,18. Het Uwv heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met S, omdat in zijn geval aan de criteria van gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg is voldaan en dat hij daarom geen recht op toeslag heeft.

2. Bij tussenuitspraak van 17 december 2014 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Hiertoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van wederzijdse zorg tussen appellant en S en dat het Uwv op basis van het summiere gespreksverslag niet heeft kunnen aannemen dat aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.

3. Het Uwv heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. In dat kader heeft de inspecteur op 27 januari 2015 opnieuw een gesprek gevoerd met appellant en S. Daaruit is naar voren gekomen dat appellant en S samen twee kinderen hebben, geboren [in] 1981 en [in] 1983. Vervolgens heeft het Uwv bij brief van 18 februari 2015, onder verwijzing naar artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Tw, te kennen gegeven het standpunt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding te handhaven.

4. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover het de intrekking en terugvordering betreft en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven. Wat dit laatste betreft heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen. Vaststaat dat uit de relatie van appellant en S kinderen zijn geboren. Nu niet in geschil is dat appellant en S hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben, levert dit op grond van artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Tw een onweerlegbaar rechtsvermoeden op van een gezamenlijke huishouding.

5. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Voorts heeft appellant verzocht een schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

6.1.

In artikel 1, vierde lid, van de Tw is bepaald dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In het vijfde lid, aanhef en onder b, is bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

6.2.

Appellant heeft twee beroepsgronden aangevoerd. De eerste beroepsgrond houdt in dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door toepassing te geven aan artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Tw, terwijl het bestreden besluit is gebaseerd op het vierde lid van dit artikel.

7.1.

De eerste beroepsgrond slaagt al niet omdat het Uwv hangende beroep zelf het standpunt heeft ingenomen dat in het geval van appellant het bepaalde in artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Tw van toepassing is en de rechtbank haar oordeel hierop heeft gebaseerd. Anders dan appellant meent, levert dit geen schending op van artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

7.2.

De tweede beroepsgrond houdt in dat toepassing van het bepaalde in artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Tw in het geval van appellant leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid tussen enerzijds ex-partners uit wier relatie geen kinderen zijn geboren en anderzijds zij die nimmer voorheen met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van de Tw daarmee gelijkgesteld zijn, maar uit wier contact wel een kind is geboren. Aangezien dit onderscheid in strijd is met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), moet genoemde bepaling uit de Tw buiten toepassing worden gelaten. Het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2580) is in dit geval niet van toepassing, omdat het slechts ziet op het onderscheid tussen enerzijds ex-gehuwden/ex-partner met kinderen en anderzijds

ex-gehuwden/ex-partners zonder kinderen, terwijl appellant en S nimmer gehuwd zijn geweest of als partners hebben samengeleefd.

7.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het door appellant genoemde arrest volgt dat artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Tw ziet op alle personen die een gezamenlijke kind hebben, dus ook indien die personen niet gehuwd of daarmee gelijkgesteld zijn geweest. De Hoge Raad heeft immers overwogen dat dit artikelonderdeel - althans het gelijkluidende artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wet werk en bijstand - “een onderscheid schept tussen personen uit wier relatie een kind is geboren en personen bij wie deze omstandigheid zich niet voordoet”. Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat voor zover het artikelonderdeel een ongelijke behandeling van gelijke gevallen schept, niet kan worden gezegd dat de keuze van de wetgever van redelijke grond ontbloot is. Dit betekent dat in het geval van appellant geen aanleiding bestaat om artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Tw wegens strijd met artikel 26 van het IVBPR buiten toepassing te laten.

8. Geen aanleiding bestaat om een schadevergoeding toe te kennen wegens schending van de redelijke termijn. Deze termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). Geen grond bestaat om in dit geval een andere termijn als redelijk aan te merken. In dit geval is voorts vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 11 november 2013 tot de datum waarop de Raad thans uitspraak doet minder dan vier jaar verstreken.

9. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) J. Tuit (getekend) O.L.H.W.I. Korte

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep

HD