Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3772

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
16/4552 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag als alleenstaande. Eerdere verlening van bijstand als gehuwden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4552 PW

Datum uitspraak: 31 oktober 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

7 juni 2016, 15/3460 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Hollman, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2017. Namens appellant is verschenen mr. R.M.M. Menting, advocaat en kantoorgenoot van mr. Hollman. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant en [B.] (B) hebben vanaf 7 januari 2013 tot en met 31 juli 2014 aanvullende bijstand ontvangen naar de norm voor gehuwden. Nadat hun relatie was verbroken, heeft appellant van de gemeente Roermond bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande. Vanwege problemen met de verhuurder van zijn kamer in Roermond heeft appellant de huurovereenkomst met ingang van 1 maart 2015 opgezegd. Appellant heeft zich vervolgens met ingang van 1 maart 2015 tijdelijk op het adres van B ingeschreven.

1.2.

Appellant heeft zich op 17 maart 2015 gemeld om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande aan te vragen. Op het aanvraagformulier heeft appellant ingevuld dat hij inwonend is bij B.

1.3.

Bij besluit van 11 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 oktober 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant om bijstand afgewezen op de grond dat een onweerlegbaar rechtsvermoeden van samenwoning met [B.] bestaat waardoor appellant wordt beschouwd als zijnde gehuwd dan wel daarmee wordt gelijkgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 17 maart 2015 tot en met 11 juni 2015.

4.2.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de PW, is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In het vierde lid, aanhef en onder a, is een zogeheten onweerlegbaar rechtsvermoeden neergelegd inhoudende dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.

4.3.

Niet in geschil is dat appellant en B in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Uit 1.1 volgt dat appellant en B gedurende de periode van 7 januari 2013 tot en met 31 juli 2014 voor de verlening van aanvullende bijstand zijn aangemerkt als gehuwden. Dit was binnen een periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag van

17 maart 2015. Hieruit volgt dat een gezamenlijke huishouding aanwezig wordt geacht.

4.4.

Nu vaststaat dat appellant in de te beoordelen periode met B een gezamenlijke huishouding voerde in de zin van de PW kon hij om die reden niet worden beschouwd als een zelfstandig subject van bijstand, zodat hij geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

4.5.

Ter zitting is uitgebreid de persoonlijke situatie van appellant aan de orde gekomen. De persoonlijke situatie van appellant leidt evenwel niet tot een andere conclusie omdat de omstandigheden die tot het voeren van de samenwoning hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang zijn. Deze omstandigheden laten onverlet dat appellant voldoet aan artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de PW aangezien appellant en B hun hoofdverblijf hebben op hetzelfde adres en zij in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van appellant voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor toewijzing van het verzoek om vergoeding van wettelijke rente bestaat daarom geen grond.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2017.

(getekend) M. Hillen

(getekend) C.A.E. Bon

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD