Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:376

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
15/7922 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijzondere bijstand. Kosten huur en woninginrichting deden zich ten tijde van de aanvraag niet voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7922 PW

Datum uitspraak: 31 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

29 oktober 2015, 15/2022 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door [naam A] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt in aanvulling op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Op

13 februari 2015 heeft appellante een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van de eerste maand huur en woninginrichting in verband met een verhuizing. Appellante heeft op het aanvraagformulier vermeld dat zij op korte termijn een woning krijgt. In een telefoongesprek dat appellante naar aanleiding van deze aanvraag met een medewerker van het college heeft gevoerd, heeft zij te kennen gegeven dat zij op dat moment woonachtig is bij haar zoon en zijn gezin. Omdat de woning van haar zoon erg vochtig is en de woonsituatie niet optimaal is, is appellante bezig een urgentieverklaring voor verhuizing naar een zelfstandige woning te verkrijgen.

1.2.

Bij besluit van 5 maart 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 juni 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten voor woninginrichting en de eerste maand huur zich ten tijde van de aanvraag om bijzondere bijstand niet voordeden, zodat om die reden geen recht op bijzondere bijstand bestaat. Indien deze kosten zich ten tijde van de aanvraag wel reeds hadden voorgedaan, zou appellante ook geen recht op bijzondere bijstand hebben gehad. Daarbij heeft het college erop gewezen dat de kosten van woninginrichting moeten worden gerekend tot de incidenteel voorkomende algemene noodzakelijke bestaanskosten, die moeten worden voldaan uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Appellante was al in 2013 ingeschreven voor zelfstandige woonruimte en had er dus rekening mee kunnen houden dat zij zou gaan verhuizen. Appellante had haar inkomen hiervoor moeten reserveren. Het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden vormt geen bijzondere omstandigheid die verlening van bijzondere bijstand rechtvaardigt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich weliswaar ten tijde van de aanvraag nog niet voordeden, maar dat die kosten zich wel hebben voorgedaan hangende de bezwaarprocedure. Om die reden en omdat het college bij de volledige heroverweging van het besluit van 5 maart 2015 heeft betrokken dat appellante inmiddels een woning toegewezen had gekregen en dat de kosten zich daadwerkelijk voordoen, heeft de rechtbank beoordeeld of de kosten van woninginrichting voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit niet het geval is.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college aan haar bijzondere bijstand had moeten toekennen. Appellante heeft er daarbij op gewezen dat haar op 3 maart 2015 een urgentieverklaring voor een verhuizing is toegekend in verband met gezondheidsklachten. Appellante is gediagnosticeerd met COPD en in de woning van haar zoon verergerden haar longklachten. Op 31 maart 2015 heeft appellante een zelfstandige woning toegewezen gekregen. Verder heeft appellante aangevoerd dat zij weliswaar al sinds 2013 ingeschreven staat voor een nieuwe woning, maar dat de gemiddelde wachttijd voor een woning vier tot vijf jaar bedraagt. Zij had toen zij zich inschreef voor een woning ook nog niet de intentie om te verhuizen. Appellante heeft betoogd dat zij gelet hierop en als gevolg van schulden niet in staat is geweest om geld voor de kosten van de eerste huur en woninginrichting te reserveren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 35, eerste lid, van de PW is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij

artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van de PW niet van toepassing zijn.

4.2.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad geld te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wwordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.3.

Niet in geschil is dat de kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich op het moment van de aanvraag niet voordeden. Op dat moment had zij immers nog geen nieuwe (huur)woning. Eerst op 31 maart 2015, toen aan appellante een zelfstandige woning werd toegewezen, zijn deze kosten opgekomen. De rechtbank heeft niet onderkend dat reeds om die reden het college de aanvraag om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen. Aan de stelling van appellante dat er bijzondere omstandigheden waren op grond waarvan het college aan haar bijzondere bijstand had moeten toekennen, komt de Raad dan ook niet toe.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2017.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) C.A.E. Bon

HD