Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3757

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
02-11-2017
Zaaknummer
15/5552 WWAJ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:4873, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wajong-uitkering over de periode van 11 december 2013 tot 19 december 2014. Van substantiële wijzigingen in de medische situatie van appellant tussen 11 december 2013 en 1 juli 2014 is niet gebleken. Zo komen de gestelde diagnoses, voor zover hier relevant, overeen en heeft de verzekeringsarts in zijn rapport met zoveel woorden gesteld dat er reeds over langere tijd geen wijzigingen zijn opgetreden in de mogelijkheden om te functioneren. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat appellant op de datum in geding evenmin over benutbare mogelijkheden beschikte. De conclusie van de rechtbank dat de verzekeringsartsen voldoende hebben gemotiveerd op welke gronden zij concluderen dat bij appellant op 11 december 2013 geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden, wordt hiermee niet gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5552 WWAJ

Datum uitspraak: 25 oktober 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 juli 2015, 14/4330 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M.C. van Gorkum, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Gorkum. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren op [geboortedatum] 1994, heeft op 21 augustus 2013 een aanvraag ingediend voor arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010).

1.2.

Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv deze aanvraag bij besluit van 13 september 2013 afgewezen onder de motivering dat er vanaf de 17e verjaardag van appellant geen periode van 52 weken is, waarin hij minder dan het minimumloon verdiende.

1.3.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is, na verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken, ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 10 juni 2014 (bestreden besluit) op de grond dat appellant in staat is minimaal 75% van het wettelijk minimumloon te verdienen. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

1.4.

Tijdens de beroepsprocedure heeft appellant een aanvraag ingediend wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 17 februari 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 19 december 2014 recht heeft op een uitkering op grond van de Wajong 2010.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, omdat pas in beroep is toegelicht waarom de geselecteerde functies in medisch opzicht passend worden geacht. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe is overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest, dat de verzekeringsartsen voldoende hebben gemotiveerd op welke gronden zij concluderen dat bij appellant op 11 december 2013, zestien weken na de dag van de aanvraag geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden en dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen per de datum in geding hebben aangenomen. De rechtbank is er voldoende van overtuigd dat de belastbaarheid van appellant in de geselecteerde functies niet wordt overschreden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij (ook) over de periode van

11 december 2013 tot 19 december 2014 in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering, omdat hij volledig arbeidsongeschikt is en dat steeds is geweest. Het medisch onderzoek door het Uwv heeft niet op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden, nu met de gestelde diagnoses en de daaruit voortvloeiende beperkingen onvoldoende rekening is gehouden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant onder meer verwezen naar een brief van psychiater H.D.B. Vermeulen, verbonden aan het Dok, van 6 oktober 2014. Ook heeft appellant verwezen naar het besluit van het Uwv om hem met ingang van 19 december 2014 wel in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering en de aan dit besluit ten grondslag gelegde beoordeling.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit, onder verwijzing naar een rapport van 10 november 2015 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dit rapport opgemerkt dat bij appellant op

11 december 2013 (de datum in geding) geen sprake is van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. De stelling van appellant dat er te weinig rekening is gehouden met de gestelde diagnoses en de daaruit voortvloeiende beperkingen is niet met nieuwe, objectieve medische gegevens onderbouwd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op de aanvraag van appellant zijn de bepalingen van hoofdstuk 2 van de Wajong 2010 van toepassing. Voor een weergave van het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar overweging 4 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

In geding is of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten van het vernietigde bestreden besluit, waarbij de aanvraag van appellant om per 11 december 2013 een Wajong-uitkering te ontvangen is afgewezen.

4.3.

Appellant is vanaf zijn jeugd bekend met agressieregulatie-problematiek, cannabisgebruik en forse ADHD-klachten, die er in mei 2013 toe hebben geleid dat appellant in behandeling is gekomen bij Impegno, een centrum dat ambulante hulp verleent aan mensen met psychische problemen. Uit een brief van 29 juli 2017 van M.I. van den Bogerd, klinisch psycholoog bij het Dok, blijkt dat Impegno onvoldoende behandeling heeft kunnen bieden, terwijl het effect van medicatie tot dan toe onvoldoende was, reden waarom in mei 2014 een intake bij het Dok, centrum voor ambulante forensische psychiatrie plaatsvond. Het Dok is in juli 2014 tot de conclusie gekomen dat de draagkracht van appellant erg laag is en dat er een opvallende rigiditeit in het denken is. Op 6 oktober 2014 is door psychiater Vermeulen gemeld dat uit onderzoek is gebleken dat appellant zowel lijdt aan een autistische stoornis als aan een ernstige vorm van ADHD, die zeer matig medicamenteus behandelbaar is. Ook voldoet appellant aan de criteria van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De psychiater heeft erop gewezen dat ADHD en autisme al vanaf de vroege jeugd aanwezig zijn. De psychiater heeft opgemerkt dat appellant altijd al een lopende tijdbom was.

4.4.

Het Uwv heeft appellant per 1 juli 2014 toegenomen arbeidsongeschikt geacht, en wel zodanig, dat sprake is van een situatie zonder benutbare arbeidsmogelijkheden. In het rapport van de verzekeringsarts van 23 december 2014 dat ten grondslag ligt aan deze beoordeling worden de diagnoses antisociale persoonlijkheidsstoornis en ADHD genoemd. Vermeld is dat appellant niet in staat is tot agressieregulatie en zowel verbaal als ook fysiek agressief is. De prognose is vooralsnog stationair, daar er reeds over langere tijd geen wijzigingen in de mogelijkheden om te functioneren zijn opgetreden en het medisch beeld van dien aard is, dat dit ook niet binnen afzienbare tijd is te verwachten. De verzekeringsarts stelt voor een heronderzoek in te plannen over twee jaar.

4.5.

Er is sprake van een geringe tijdspanne tussen de medische beoordeling die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit en de datum 1 juli 2014. Van substantiële wijzigingen in de medische situatie van appellant tussen 11 december 2013 en 1 juli 2014 is niet gebleken. Zo komen de gestelde diagnoses, voor zover hier relevant, overeen en heeft de verzekeringsarts in zijn rapport met zoveel woorden gesteld dat er reeds over langere tijd geen wijzigingen zijn opgetreden in de mogelijkheden om te functioneren. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat appellant op de datum in geding evenmin over benutbare mogelijkheden beschikte.

4.6.

De conclusie van de rechtbank dat de verzekeringsartsen voldoende hebben gemotiveerd op welke gronden zij concluderen dat bij appellant op 11 december 2013 geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden, wordt hiermee niet gevolgd. In de gedingstukken is geen steun te vinden voor het oordeel dat niet is gebleken dat door een (behandelend) arts het standpunt van appellant wordt bevestigd dat hij als gevolg van zijn klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen niet in staat is om arbeid te verrichten. De psychiater heeft immers opgemerkt dat, door de complexe psychiatrische problematiek en de sterk aanwezige psychosociale problemen, een succesvolle start en continuering van enige arbeidsbetrekking voor appellant illusoir is.

4.7.

Uit 4.5 tot en met 4.6. vloeit voort dat het hoger beroep slaagt. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit ten onrechte in stand gelaten. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden vernietigd. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zal worden bepaald dat appellant over de periode van 11 december 2013 tot 19 december 2014 in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering en dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde besluit op bezwaar.

5. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in hoger beroep heeft moeten maken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten;

  • -

    bepaalt dat appellant over de periode van 11 december 2013 tot 19 december 2014 in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 10 juni 2014;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 990,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en A.I. van der Kris en
D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) I.G.A.H. Toma

TM