Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3755

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
02-11-2017
Zaaknummer
15/8491 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft ten onrechte de maatregel van blijvende gehele weigering van WW-uitkering opgelegd. Aan het ontslag van appellante heeft geen dringende reden ten grondslag heeft gelegen. Appellante is daarom niet verwijtbaar werkloos geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8491 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

18 november 2015, 15/1023 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 1 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.E. de Hoop hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Hoop. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1957, heeft vanaf 1984 binnen de rechtspraak gewerkt. Vanaf 2005 was zij bij het Openbaar Ministerie (OM) werkzaam als [naam functie] bij het arrondissementsparket [locatie] .

1.2.

Op 22 mei 2013 heeft zij een verzetschrift ingediend tegen een strafbeschikking, die naar aanleiding van een alcoholcontrole was opgelegd aan een vriendin. Zij heeft dit verzetschrift geschreven op briefpapier met het opschrift “ [naam appellante] Juridisch Advies” en zich gepresenteerd als gemachtigde van deze vriendin. Het verzetschrift is kort na ontvangst door het OM geretourneerd, omdat alleen een verdachte zelf of een advocaat een verzetschrift kan indienen en appellante geen advocaat is. Nadat zij begin juli 2014 door een medewerker op de hoogte waren gesteld van het indienen van het verzetschrift hebben de leidinggevende van appellante en de directeur bedrijfsvoering op 9 juli 2014 met appellante gesproken, waarbij naast de gang van zaken rond het verzetschrift ook het melden van nevenwerkzaamheden en het registreren daarvan in het zogenoemde P-portal aan de orde is gekomen. Bij brief van
11 juli 2014 heeft de minister van Veiligheid en Justitie (de minister) appellante op de hoogte gesteld van het voorgenomen besluit haar wegens ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf op te leggen van ontslag. De minister heeft bij besluit van 14 juli 2014 appellante geschorst op grond van artikel 91, eerste lid, onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Na een zienswijze van appellante en een reactie op deze zienswijze van de minister, waarin de minister te kennen heeft gegeven geen aanleiding te zien het voorgenomen besluit te herzien, heeft de minister bij besluit van 18 augustus 2014 aan appellante per 1 september 2014, onder toepassing van artikel 81, eerste lid, onder 1, van het ARAR, disciplinair ontslag opgelegd. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.3.

Appellante heeft een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 5 september 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van
1 september 2014 recht heeft op een uitkering op grond van de WW, maar dat deze uitkering niet tot uitbetaling komt. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante had kunnen weten dat haar gedrag een dringende reden voor ontslag zou zijn en appellante hierdoor verwijtbaar werkloos is geworden. Bij beslissing op bezwaar van 26 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 september 2014 ongegrond verklaard.

1.4.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hangende het beroep hebben appellante en de minister, na mediation, op 3 april 2015 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin is neergelegd dat het eerder verleende disciplinaire ontslag zal worden ingetrokken en vervangen zal worden door een ontslag op grond van ongeschiktheid voor de functie op grond van artikel 98, eerste lid, onder g, van het ARAR. Bij besluit van 7 april 2015 heeft de minister het ontslag op grond van artikel 81, eerste lid, onder 1 van het ARAR ingetrokken. Bij een tweede besluit van 7 april 2015 heeft de minister appellante met ingang van 1 september 2014 ontslag verleend op grond van artikel 98, eerste lid, van het ARAR. Het Uwv heeft hierin geen aanleiding gezien om tot een ander standpunt te komen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover na behandeling ter zitting in hoger beroep nog van belang, het beroep van appellante tegen het bestreden besluit, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat aan het disciplinaire ontslag per 1 september 2014 een objectief dringende reden ten grondslag heeft gelegen, nu appellante ernstig plichtsverzuim kan worden verweten. Uit de reactie van de werkgever, die na de melding begin juli 2014 onverwijld actie heeft ondernomen, volgt dat eveneens sprake is van een subjectief dringende reden. Het lange dienstverband van appellante maakt, gelet op de ernst van het plichtsverzuim, niet dat geen sprake is van een dringende reden. Appellante had bovendien, juist gelet op de lengte van haar dienstverband, het verwijtbare karakter van haar handelen moeten inzien. Het Uwv heeft dan ook terecht de WW-uitkering van appellante blijvend geheel geweigerd.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van verwijtbare werkloosheid. Zij heeft daarbij gewezen op het feit dat de minister het disciplinaire ontslag heeft ingetrokken en heeft vervangen door een ontslag op grond van ongeschiktheid voor de functie. Volgens appellante kan alleen al daarom geen dringende reden voor ontslag aanwezig worden geacht. Voorts rechtvaardigen de feiten naar de mening van appellante ook niet de conclusie dat sprake is geweest van ernstig plichtsverzuim en daarmee van een objectief dringende reden voor ontslag.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt de werknemer de verplichting op te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Of er sprake is van zo’n dringende reden moet worden beoordeeld naar de maatstaven van het arbeidsovereenkomstenrecht, ook indien het gaat om een arbeidsverhouding die wordt beheerst door het ambtenarenrecht. Als de werknemer de verplichting om werkloosheid te voorkomen niet is nagekomen, weigert het Uwv op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.2.

Het is vaste rechtspraak van de Raad dat gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, zoals deze bepaling sinds 1 oktober 2006 luidt, een materiële beoordeling dient plaats te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet de wijze waarop het dienstverband is geëindigd bepalend. In lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad over de arbeidsrechtelijke dringende reden zijn daarbij, naast de aard en de ernst van de gedraging van de werknemer, van belang de reactie van de werkgever op het gedrag van de werknemer en andere relevante aspecten van de dienstbetrekking zoals de aard en de duur daarvan, de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zal hebben.

4.3.

Het Uwv heeft in het bestreden besluit verwezen naar de gedragscode van het OM, waarin is bepaald dat een OM’er niet optreedt in een strafzaak waarin bekenden, familieleden of zakenrelaties in beeld zijn als verdachte, aangever of getuige. Door zich als gemachtigde te stellen in een strafzaak van een vriendin en namens haar een verzetschrift in te dienen heeft appellante deze gedragscode overtreden. Een ambtenaar is voorts verplicht opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten en die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling kunnen raken. Appellante heeft haar juridisch adviesbureau niet gemeld bij haar werkgever. Aan rijksambtenaren worden zeer hoge eisen gesteld wat betreft integriteit. Gelet op de ernstige inbreuk op de naam van de werkgever, haar gebrek aan integriteit, het niet nakomen van de verplichtingen uit de gedragscode en het verlies van het vertrouwen van de werkgever in haar kon van de werkgever redelijkerwijs niet worden gevergd de arbeidsverhouding te laten voortduren. De lengte van het dienstverband, de wijze van invulling daarvan, de gevolgen van het ontslag voor appellante en het feit dat zij anders tegen de zaak aankijkt nemen dit niet weg. Daarmee zijn de gedragingen van appellante volgens het Uwv aan te merken als een dringende reden voor ontslag. Het Uwv heeft ter zitting bevestigd dat het standpunt dat sprake is geweest van een dringende reden voor ontslag berust op twee pijlers, te weten het indienen van het verzetschrift en het niet melden van het juridische adviesbureau.

4.4.

Appellante heeft van meet af aan consequent verklaard dat zij, toen zij zich bij de Kamer van Koophandel inschreef in verband met haar – bij de werkgever bekende – massageactiviteiten ook het verlenen van juridische adviezen heeft laten vermelden, voor het geval zij dit in de toekomst zou gaan doen. Het briefpapier heeft zij volgens haar ook met het oog daarop laten maken. Feitelijk is zij echter naar haar zeggen nooit een juridische adviespraktijk begonnen. De stukken bevatten behalve het verzetschrift dat appellante op
22 mei 2013 heeft ingediend geen aanwijzing dat appellante, anders dan zij heeft verklaard, wel werkzaamheden heeft ontplooid in het kader van een juridische adviespraktijk. Gelet hierop moet het ervoor gehouden worden dat appellante op dit punt met juistheid heeft verklaard. Hiervan uitgaande volgt dat er geen juridische advieswerkzaamheden zijn die zij aan haar werkgever had moeten melden.

4.5.

Appellante heeft met het indienen van het verzetschrift namens haar vriendin gehandeld in strijd met de gedragscode van het OM. Haar stelling dat nooit sprake is geweest van het vertegenwoordigen van een verdachte van een strafbaar feit wordt niet gevolgd. Haar vriendin werd evident verdacht van een strafbaar feit; dit was immers de reden voor de strafbeschikking en uit de bewoordingen van het verzetschrift kan niet anders woorden afgeleid dan dat appellante optrad namens haar vriendin en haar dus vertegenwoordigde. Die vertegenwoordiging is echter van zeer korte duur geweest en heeft nergens toe geleid omdat appellante, nu zij geen advocaat is, niet bevoegd was een verzetschrift namens haar vriendin in te dienen en het OM het verzetschrift om die reden per omgaande heeft geretourneerd.

4.6.

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of wat in 4.4 en 4.5 is beschreven, met inachtneming van het in 4.1 en 4.2 beschreven toetsingskader, voldoende basis vormt voor het aannemen van een dringende reden. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Het bestreden besluit is, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.4 en 4.5, slechts gebaseerd op één gedraging die in het kader van dat besluit aan de beoordeling van de verwijtbaarheid van de werkloosheid ten grondslag ligt, namelijk het indienen van het verzetschrift. Die gedraging is weliswaar laakbaar, maar die rechtvaardigt, gelet op alle relevante feiten en omstandigheden, niet een zo ingrijpende reactie als een strafontslag en – vertaald naar het arbeidsovereenkomstenrecht – levert geen dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW op.

4.7.

Gelet op wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.6 is de conclusie dat aan het ontslag van appellante geen dringende reden ten grondslag heeft gelegen. Appellante is daarom niet verwijtbaar werkloos geworden. Het Uwv heeft ten onrechte de maatregel van blijvende gehele weigering van WW-uitkering opgelegd.

4.8.

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal het beroep van appellante gegrond worden verklaard en zal het bestreden besluit worden vernietigd. Omdat er onvoldoende gegevens zijn om finaal te beslissen, krijgt het Uwv de opdracht om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak, een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 september 2014 met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante. De kosten voor verleende rechtsbijstand worden begroot op in bezwaar € 990,-, in beroep € 990,- en in hoger beroep € 990,-, in totaal € 2.970,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 februari 2015 gegrond en vernietigt dat besluit;

- draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 september 2014 te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat het beroep tegen de door Uwv te nemen nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 september 2014 slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

- veroordeelt het Uwv in de door appellante in bezwaar, in beroep en in hoger beroep gemaakte kosten tot een totaalbedrag van € 2.970,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2017.

(getekend) H.G. Rottier

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

AB