Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3749

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
02-11-2017
Zaaknummer
17/2234 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van haar vader (verzoek om loskoppeling) terecht afgewezen. Appellante heeft geen verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 7, derde lid, van het Bsf 2000 overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat, in het verleden en/of ten tijde hier van belang, sprake was van (dreiging van) geestelijke en/of lichamelijke mishandeling van appellante door haar vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/2234 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 maart 2017, 16/9158 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

Datum uitspraak: 1 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Aksu, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2017. Appellante is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft bij besluit van 22 januari 2016 aan appellante vanaf april 2016 studiefinanciering toegekend op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).

1.2.

Appellante heeft de minister op 3 maart 2016 verzocht om bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van haar vader (verzoek om loskoppeling), omdat sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen haar en haar vader. Ter onderbouwing van het verzoek heeft appellante een verklaring van een praktijkondersteuner van een huisartsenpraktijk overgelegd.

1.3.

Bij besluit van 13 mei 2016, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 6 oktober 2016 (bestreden besluit), heeft de minister het verzoek van appellante afgewezen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister kunnen concluderen dat tussen appellante en haar vader geen sprake is van een ernstig en structureel conflict als bedoeld in de artikelen 3.14 van de Wsf 2000 en 6, eerste lid, aanhef en onder a, en 7 van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000). De verklaring vanuit de huisartsenpraktijk is in dit verband onvoldoende. Van de gestelde mishandelingen, die in het verleden hebben plaatsgevonden, is evenmin een verklaring van een ter zake deskundige overgelegd. De verstoorde relatie tussen appellante en haar vader is voor loskoppeling niet voldoende.

3. In hoger beroep heeft appellante betoogd dat wel voldaan is aan de conflicteis. Er bestaat geen enkele relatie tussen appellante en haar vader. Haar vader heeft de echtscheiding met haar moeder niet geaccepteerd en heeft appellante en haar moeder in het verleden mishandeld. Sindsdien is er geen enkele vorm van rechtstreeks contact meer. Appellante wil ook geen contact meer met haar vader. De houding van haar vader is door het voeren van een alimentatieprocedure agressiever geworden.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Er is, blijkens de Nota van Toelichting bij het Bsf 2000, waarin de loskoppelingsregeling is uitgewerkt, van een langdurig ernstig verstoorde verhouding tussen ouder en studerende in de zin van de artikelen 3.14 van de Wsf 2000 en 6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bsf 2000 sprake indien de verstoring van de relatie tussen ouder en kind zodanig fundamenteel en structureel is dat loskoppeling de enige weg is. Als voorbeelden daarvan worden genoemd gevallen waarbij ernstig lichamelijk of ernstig geestelijk geweld een rol heeft gespeeld dan wel gevallen van diepgaande, met ernstige conflicten gepaard gaande, verschillen van inzicht over met name levensovertuiging, cultuur of geloof.

4.2.

Uit wat appellante heeft aangevoerd, en de ter ondersteuning daarvan overgelegde verklaringen, valt het volgende af te leiden. Appellantes ouders zijn in 2007 gescheiden. Na de scheiding heeft appellante aanvankelijk contact gehouden met haar vader. Haar vader accepteerde de echtscheiding niet en viel de moeder van appellante lastig. In 2014 is de situatie na bedreigingen van de vader van appellante aan haar moeder geëscaleerd en is appellante met haar moeder en broertje verhuisd. Sindsdien is het contact tussen appellante en haar vader verbroken. Appellante wil geen contact meer met haar vader wegens de gebeurtenissen in het verleden. Vader heeft voorts te kennen gegeven dat hij niets meer met appellante te maken willen hebben. Hij wil appellante op geen enkele wijze (financieel) ondersteunen.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat de relatie tussen appellante en haar vader (structureel) is verstoord. Van een wezenlijke ouder-kindrelatie is vanaf 2014 geen sprake. Het ontbreken van contact en betrokkenheid tussen vader en dochter moet pijnlijk en verdrietig voor appellante zijn. Echter, daaruit kan niet geconcludeerd worden dat loskoppeling is aangewezen. Niet is gebleken van (voldoende) bijkomende omstandigheden daarvoor. Appellante heeft geen verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 7, derde lid, van het Bsf 2000 overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat, in het verleden en/of ten tijde hier van belang, sprake was van (dreiging van) geestelijke en/of lichamelijke mishandeling van appellante door haar vader.

4.4.

Gelet op wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 voldoet de situatie van appellante niet aan de strikte conflicteis in de zin van de wet.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) B. Dogan

IJ