Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3743

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
02-11-2017
Zaaknummer
16/1467 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling. Nu het Uwv hangende beroep een nieuw besluit op het bezwaar van appellante heeft genomen heeft de rechtbank het Uwv ten onrechte niet veroordeeld in de kosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van haar beroep tegen het bestreden besluit, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Teneinde deze proceskostenveroordeling te verkrijgen heeft appellante hoger beroep moeten instellen, zodat het procesbelang bij het hoger beroep is gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1467 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
22 januari 2016, 13/775 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 1 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft appellante bij brief van 23 januari 2017 een vraag gesteld. Appellante heeft hierop gereageerd bij brief van 15 februari 2017. Het Uwv heeft hierop gereageerd bij brief van 22 februari 2017.

Met toestemming van partijen is een onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft tot 2 oktober 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangen. De mate van arbeidsongeschiktheid bedroeg 100%. Vanaf 20 oktober 2009 heeft appellante een
WGA-loonaanvullingsuitkering ontvangen. Het Uwv heeft na een herbeoordeling bij besluit van 25 maart 2013 aan appellante meegedeeld dat haar WGA-uitkering met ingang van
1 februari 2014 wordt beëindigd, omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt werd beschouwd. Bij besluit van 28 augustus 2013 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.

1.2.

Nadat appellante op 8 oktober 2013 beroep had ingesteld tegen bestreden besluit 1 heeft het Uwv op 8 december 2014 een gewijzigde beslissing op het bezwaar van appellante genomen (bestreden besluit 2). Daarin is vastgesteld dat appellante vanaf 1 februari 2014 onverminderd 100% arbeidsongeschikt wordt beschouwd en daarom met ingang van
1 februari 2014 recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering. Dit besluit is in de plaats van bestreden besluit 1 getreden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1
niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank heeft hieraan ten grondslag gelegd dat uit de brief van het Uwv van 4 februari 2014 is afgeleid dat appellante weliswaar op 19 maart 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt is beschouwd, maar dat haar WIA-uitkering ongewijzigd doorloopt tot 1 februari 2014 en nadere besluitvorming over de WIA-aanspraken zal plaatsvinden per 1 februari 2014 op basis van een actueel medisch oordeel waarvoor appellante nog zal worden opgeroepen. De belastbaarheid van appellante per 1 februari 2014 zal door het Uwv opnieuw worden beoordeeld, zodat appellante volgens de rechtbank geen procesbelang meer heeft bij handhaving van het beroep tegen bestreden besluit 1.

3.1.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat het Uwv door het besluit van

8 december 2014, waarbij het recht op een WGA-loonaanvullingsuitkering per
1 februari 2014 wordt gecontinueerd, weliswaar volledig tegemoet is gekomen aan haar bezwaren, maar de rechtbank had haar verzoek om het Uwv te veroordelen in de proceskosten moeten honoreren. Ten onrechte heeft de rechtbank dit niet gedaan, zodat appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3.2.

Het Uwv heeft een bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens het Uwv bestaat er geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken jegens hem. Aan het verkrijgen van een proceskostenvergoeding kan geen zelfstandig procesbelang worden ontleend.

4. Het besluit van 8 december 2014 maakt dat geen procesbelang bestaat bij het beroep tegen bestreden besluit 1. Gelet hierop heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank heeft dit oordeel echter gebaseerd op een onjuiste grondslag, nu uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank hierbij nimmer het besluit van 8 december 2014 heeft betrokken. Nu het Uwv hangende beroep een nieuw besluit op het bezwaar van appellante heeft genomen heeft de rechtbank het Uwv ten onrechte niet veroordeeld in de kosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van haar beroep tegen het bestreden besluit, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Teneinde deze proceskostenveroordeling te verkrijgen heeft appellante hoger beroep moeten instellen, zodat het procesbelang bij het hoger beroep volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD2723) is gegeven.

5. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 990,- in beroep en op € 495,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- veroordeelt het Uwv in de proceskostenkosten van appellante tot een bedrag van € 1.395,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2017.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) M.D.F. de Moor

RH