Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3740

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
02-11-2017
Zaaknummer
16/3329 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen sprake geweest van privaatrechtelijke dienstbetrekkingen. Appellante is geen werknemer geweest in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW en artikel 3, eerste lid, van de ZW. Appellante was dan ook niet uit dien hoofde verzekerd voor de WW en de ZW. De faillissementsuitkering, de WW-uitkering en de ZW-uitkering zijn daarom terecht ingetrokken en onverschuldigd betaald. Het Uwv was op grond van artikel 36 van de WW en artikel 33 van de ZW, gehouden die uitkeringen terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2017/269
AR 2017/5733
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3329 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

13 mei 2016, 15/2618 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 18 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft bij brief van 10 mei 2017 een namens appellante ingediend verzoek om versnelde behandeling afgewezen.

Mr. E.J. Luursema, advocaat, heeft zich bij brief van 2 juni 2017 als gemachtigde van appellante gesteld.

De Raad heeft op 25 juli 2017 een namens appellante door mr. Luursema ingediend verzoek van 25 juli 2017 om verdaging van het onderzoek ter zitting, afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2017. Appellante is niet verschenen. Namens het Uwv is verschenen W.R. Bos.

OVERWEGINGEN

1.1.

In een op 2 januari 2012 opgemaakte en door appellante ondertekende overeenkomst, met als opschrift “arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd”, staat dat appellante met ingang van
2 januari 2012 als commercieel medewerkster voor 32 uur per week in dienst is getreden van [naam B.V. 1] ( [naam B.V. 1] ), vertegenwoordigd door [naam X] ( [naam X] ).

1.2.

Op 5 juni 2012 is het faillissement van [naam B.V. 1] uitgesproken. Hierop heeft appellante het Uwv verzocht om haar in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) en aansluitend voor een uitkering op grond van hoofdstuk II van de WW. Het Uwv heeft appellante voor deze uitkeringen in aanmerking gebracht. Vanuit de situatie dat zij een WW-uitkering ontving, heeft appellante zich op 17 oktober 2012 ziek gemeld. In verband hiermee is haar met ingang van die datum tot 10 december 2012 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.3.

In een op 22 januari 2013 opgemaakte en door appellante ondertekende overeenkomst, met als opschrift “Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd”, staat dat appellante met ingang van 2 januari 2013 als winkelmanager voor 37,5 uur per week in dienst is getreden van [naam B.V. 2] ( [B.V. 2] ), vertegenwoordigd door [naam X] ( [naam X] ).

1.4.

Op 29 oktober 2013 is het faillissement van [B.V. 2] uitgesproken. Hierop heeft appellante het Uwv verzocht om haar in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW en aansluitend voor een uitkering op grond van hoofdstuk II van de WW. Het Uwv heeft appellante voor deze uitkeringen in aanmerking gebracht.

1.5.

Naar aanleiding van een melding van de Belastingdienst in mei 2014 heeft het Uwv onderzoek verricht naar de dienstverbanden van appellante vanaf 2010. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 27 oktober 2014, opgemaakt door
[naam medewerker] , werkzaam bij de afdeling Handhaving van het Uwv. Het Uwv heeft uit dit rapport de conclusie getrokken dat geen sprake is geweest van een verzekeringsplicht van appellante ten tijde van haar dienstverbandperiode bij [naam B.V. 1] en evenmin voor wat betreft haar dienstverband bij [B.V. 2] .

1.6.

Bij een viertal besluiten van 11 november 2014 heeft het Uwv de toegekende uitkeringen ingetrokken en de aan appellante betaalde zogenoemde faillissementsuitkering over de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 juli 2012 ten bedrage van € 23.245,23,
de WW-uitkering over de periode van 17 juli 2012 tot en met 14 september 2014 ten bedrage van € 35.617,18, de ZW-uitkering over de periode van 17 oktober 2012 tot en met 9 december 2012 ten bedrage van € 5.136,08 en de faillissementsuitkering over de periode van 1 juni 2013 tot en met 31 december 2013 ten bedrage van € 20.260,26 (bruto) en € 128,98 (netto), van haar teruggevorderd.

1.7.

Het tegen deze besluiten door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 29 mei 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek door het Uwv zorgvuldig en voldoende geweest en heeft het Uwv met de overgelegde gegevens aannemelijk gemaakt dat appellante ten tijde van belang bij [naam B.V. 1] geen dienstbetrekking in de zin van de sociale zekerheidswetgeving vervulde. Niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoeksrapport eveneens voldoende basis biedt voor de conclusie dat appellante ten tijde van belang bij [B.V. 2] geen dienstbetrekking in de zin van de sociale zekerheidswetgeving vervulde. Niet aannemelijk is geworden dat appellante en [B.V. 2] gevolg hebben gegeven aan de door hen overeengekomen rechtsverhouding en dat er sprake is geweest van een gezagsverhouding tussen hen. De rechtbank is voorts tot de conclusie gekomen dat appellante haar stellingen over de gestelde dienstbetrekkingen bij [naam B.V. 1] en [B.V. 2] niet met objectieve en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank, zonder motivering, de gegevens die door haar in het geding zijn gebracht niet als objectief en verifieerbaar heeft aangemerkt en het onderzoeksrapport van het Uwv wel. Het onderzoek door het Uwv is naar de mening van appellante niet zorgvuldig geweest, omdat appellante en [naam X] niet zijn gehoord, zaken verkeerd zijn geïnterpreteerd en verklaringen van getuigen klakkeloos als waarheid zijn opgenomen. Appellante heeft over de gestelde dienstbetrekking bij [naam B.V. 1] aangevoerd dat zij aan de hand van bewijsstukken heeft onderbouwd dat zij vanaf 2 januari 2012 heeft gewerkt bij een actieve onderneming tegen een salaris en met een arbeidsovereenkomst. Appellante heeft in de eerste maanden na haar indiensttreding elke dag uitvoerig contact gehad met de verkoopleider, [naam Y] , die haar opdrachten gaf. Over de dienstbetrekking bij [B.V. 2] heeft appellante aangevoerd dat op grond van de arbeidsovereenkomst ook andere werkzaamheden dan genoemd konden worden verricht. Appellante heeft betoogd dat zij op de tijdstippen van de door het Uwv geconstateerde geldopnames niet in de winkel aanwezig was, omdat zij overleg voerde bij leveranciers. Appellante heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van voormalige personeelsleden van de winkel [naam winkel] , dat zij zelden in de winkel aanwezig was, ter discussie gesteld. Het feit dat appellante niet op de winkelroosters voorkwam is ten onrechte van betekenis geacht. Appellante stelt dat zij als winkelmanager niet op de schema’s voor verkoopsters hoort te staan.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak gevraagd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 19, eerste lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2014 (procesregeling) bepaalt dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen en de oproeping om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde ter zitting te verschijnen, zo mogelijk zes weken tevoren bij aangetekende brief worden verzonden. Op grond van het tweede lid van artikel 19 van de procesregeling wordt een verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting zo mogelijk schriftelijk, onder aanvoering van gewichtige redenen en tijdig, ingediend. Onder tijdig wordt verstaan: zo spoedig mogelijk na ontvangst van de uitnodiging of zo spoedig mogelijk nadat van de tot uitstel nopende omstandigheid is gebleken.

4.2.

De gemachtigde van appellante heeft op 25 juli 2017 de Raad per fax verzocht om de zitting te verdagen. Daarbij heeft de gemachtigde in zijn verzoek vermeld dat appellante gedurende meerdere weken met aanzienlijke duizeligheids- en evenwichtsklachten kampt. De gemachtigde heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellante niet in staat was om eerder dan op de dag voor de zitting haar verdagingsverzoek in te dienen. Gelet hierop is het verdagingsverzoek van appellante niet zo spoedig mogelijk gedaan als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de procesregeling. Wat de gemachtigde verder heeft aangevoerd, leidt niet tot de conclusie dat sprake is geweest van uitzonderlijke omstandigheden.

4.3.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de WW en artikel 3, eerste lid, van de ZW, voor zover hier van belang, is de werknemer de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat. Alleen de werknemer heeft, onder voorwaarden, recht op uitkering op grond van de WW en de ZW.

4.4.

Het geschil betreft de vraag of het Uwv appellante terecht niet verzekerd heeft geacht voor de WW en de ZW, omdat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

4.5.

Ter onderbouwing van haar standpunt dat sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft appellante verwezen naar de met [naam B.V. 1] en [B.V. 2] gesloten overeenkomsten, met als opschrift “Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd”. Dit betekent nog niet dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst is gesloten. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de kwalificatie, die partijen zelf aan hun rechtsverhouding geven, niet doorslaggevend is. Het is aan de rechter om de verhouding tussen partijen al dan niet als arbeidsovereenkomst te kwalificeren (arrest van 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9444).

4.6.

Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Er is dan sprake van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de beantwoording van de vraag of een arbeidsverhouding is aan te merken als een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1759).

4.7.

Het oordeel van de rechtbank, dat het Uwv zorgvuldig en voldoende onderzoek heeft verricht, wordt onderschreven evenals de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid. In het licht van de nauwe samenwerking tussen appellante en [naam X] binnen tientallen bedrijven waarin zij elkaar als bestuurders opvolgden, heeft het Uwv terecht geen aanleiding gezien om een nadere verklaring van [naam X] te verkrijgen.

4.8.

Op grond van de door de rechtbank genoemde onderzoeksresultaten wordt geoordeeld dat het Uwv met het rapport van 27 oktober 2014 aannemelijk heeft gemaakt dat tussen appellante en [naam B.V. 1] geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Uit het onderzoek door het Uwv is geen aanknopingspunt naar voren gekomen voor het oordeel dat appellante feitelijk heeft gewerkt voor [naam B.V. 1] . Terecht heeft de rechtbank mede van belang geacht het vonnis van de rechtbank Arnhem van 12 september 2012 (zaaknummer 798893\CV EXPL 12-269\BE\482), waaruit volgt dat [naam B.V. 1] sinds 1 juni 2011 geen gebruik meer heeft kunnen maken van het bedrijfspand aan de [adres] te [plaatsnaam 1] . Voorts is het bestaan van een gezagsverhouding niet aannemelijk geworden, gelet op de zakelijke banden van appellante met [naam X] in tientallen bedrijven en het gegeven dat appellante zich bij de hiervoor genoemde procedure bij de rechtbank Arnhem heeft gepresenteerd als bestuurder van [naam B.V. 1] . Uit het door het Uwv verrichte onderzoek zijn geen gegevens naar voren gekomen waaruit blijkt dat [naam B.V. 1] loon heeft betaald aan appellante, met de door haarzelf ondertekende kwitanties heeft appellanten niet het bewijs geleverd dat [naam B.V. 1] loon heeft betaald.

4.9.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoeksrapport voldoende basis biedt voor de conclusie dat appellante ten tijde van belang bij [B.V. 2] geen dienstbetrekking vervulde. Niet aannemelijk is geworden dat appellante en [B.V. 2] gevolg hebben gegeven aan de door hen getekende overeenkomst, noch dat er sprake is geweest van een gezagsverhouding tussen hen. Uit de verklaringen van drie personeelsleden is gebleken dat appellante zelden in de winkel aanwezig was en dat die personeelsleden appellante nimmer de in de arbeidsovereenkomst omschreven werkzaamheden van winkelmanager hebben zien verrichten. Anders dan appellante betoogt, komt aan deze verklaringen betekenis toe. Deze verklaringen worden namelijk ondersteund door de geld-stortingen en opnames op reguliere werkdagen en tijdens reguliere openingstijden van de winkel, waaruit blijkt dat appellante niet in (de buurt van) de winkel in [plaatsnaam 2] was. De stelling van appellante dat zij op die tijdstippen thuiswerkte of met acquisitie van opdrachtgevers bezig was, is niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt. Dat de personeelsleden er belang bij hebben gehad om een onjuiste verklaring af te leggen, zoals appellante heeft aangevoerd, is niet door appellante onderbouwd en kan er niet toe leiden dat het Uwv de verklaringen niet aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Gelet op de zakelijke relatie tussen appellante en [naam X] , zoals die uit het onderzoek naar voren is gekomen, waarbij zij in tientallen bedrijven elkaar als bestuurder zijn opgevolgd, zijn er voldoende aanwijzingen dat appellante feitelijk niet onder gezag van [naam X] werkzaam is geweest.

4.10.

Wat in 4.5 tot en met 4.9 is overwogen, leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van privaatrechtelijke dienstbetrekkingen. Appellante is geen werknemer geweest in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW en artikel 3, eerste lid, van de ZW. Appellante was dan ook niet uit dien hoofde verzekerd voor de WW en de ZW. De faillissementsuitkering, de WW-uitkering en de ZW-uitkering zijn daarom terecht ingetrokken en onverschuldigd betaald. Het Uwv was op grond van artikel 36 van de WW en artikel 33 van de ZW, gehouden die uitkeringen terug te vorderen.

4.11.

Uit wat in 4.3 tot en met 4.10 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2017.

(getekend) C.C.W. Lange

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

AB