Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:374

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
16/3443 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Herkomst en overboekingen naar bankrekeningen voorafgaande aan aanvraag niet duidelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3443 WWB

Datum uitspraak: 31 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 april 2016, 15/6657 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 20 december 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 6 oktober 2014 een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college appellante uitgenodigd voor een gesprek op 17 november 2014, met het verzoek nader genoemde gegevens mee te nemen, waaronder bankafschriften van de op haar naam staande bankrekeningen. Na het gesprek op 17 november 2014 heeft het college appellante bij brief van diezelfde datum verzocht voor 1 december 2014 schriftelijke verklaringen over te leggen, onderbouwd met verifieerbare bewijsstukken, over de herkomst van alle op de bankafschriften aangetroffen overboekingen en contante stortingen.

1.2.

Bij besluit van 2 december 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 augustus 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door onvoldoende inzicht te geven in haar financiële situatie voorafgaand aan de aanvraag. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of appellante in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 6 oktober 2014, de datum waarop appellante bijstand heeft aangevraagd, tot en met 2 december 2014, de datum van het afwijzingsbesluit.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2846) rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid bij aanvragen om bijstand in beginsel op de aanvrager zelf. Daarbij dient de betrokkene duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Indien de aanvrager niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van de verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de aanvrager recht op bijstand heeft.

4.3.

Appellante had in de periode voorafgaand aan de aanvraag om bijstand drie bankrekeningen op haar naam staan. Vaststaat dat in de periode van mei tot en met september 2014 derden bedragen naar de drie bankrekeningen hebben overgeboekt en dat in die periode bedragen per kas zijn gestort, variërend van in totaal € 610,- tot € 2.467,80 per maand.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat haar moeder de op haar naam staande

ABN AMRO-rekening gebruikte en dat zij met de bij de aanvraag overgelegde verklaringen van haar moeder en van derden de herkomst van de overboekingen en contante stortingen op de op haar naam staande bankrekeningen voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het college heeft daarom ten onrechte haar aanvraag om bijstand afgewezen.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De door appellante bij de aanvraag overgelegde verklaringen, die erop neerkomen dat de moeder van appellante de ABN AMRO-rekening van appellante gebruikte en dat derden geld overboekten ten behoeve van de moeder, worden niet ondersteund door objectieve en verifieerbare gegevens. Reeds om die reden zijn deze verklaringen onvoldoende om de overboekingen en contante stortingen op de

ABN AMRO-rekening te verklaren. Nog daargelaten dat appellante niet van alle personen die overboekingen op de ABN AMRO-rekening hebben verricht een verklaring heeft overgelegd, heeft appellante voorts geen enkele verklaring ingebracht betreffende de overboekingen en contante stortingen die op haar twee andere bankrekeningen hebben plaatsgevonden. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door onvoldoende duidelijkheid te verschaffen over haar financiële situatie en dat als gevolg hiervan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2017.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) C.A.E. Bon

HD