Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3738

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
15/5578 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand op de grond dat appellant niet rechtigmatig verblijf heeft in de zin van de Wwb. Geen schending discriminatieverbod artikel 14 EVRM en artikel 1 EP. Niet gebleken dat het recht niet mag worden ingetrokken bij nog niet afgeronde verblijfsrechtelijke procedure. Geen spraken van schending vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5578 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
30 juni 2015, 14/11261 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 31 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.M. de Roo, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek gedaan om veroordeling tot vergoeding van schade.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.I.E. Rhuggenaath.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, die naar eigen zeggen de Guinese nationaliteit heeft, ontving vanaf 30 juli 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Appellant heeft op 23 april 2013 aangifte gedaan van mensenhandel. Op basis daarvan heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan appellant bij besluit van 24 april 2013 op grond van het in hoofdstuk B9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 opgenomen beleid een tijdelijke verblijfsvergunning verleend. Nadat de officier van justitie op 22 mei 2013 had besloten op grond van de aangifte van appellant geen verdergaand opsporingsonderzoek te doen, heeft appellant op 18 juni 2013 een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Bij besluit van 20 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 maart 2014, heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie de aanvraag afgewezen en de eerder aan appellant verleende verblijfsvergunning ingetrokken per 22 mei 2013. Appellant heeft tegen het besluit van

24 maart 2014 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 14 januari 2015 heeft de rechtbank Den Haag dat beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant geen hoger beroep in gesteld.

1.3.

Het college heeft bij besluit van 14 mei 2014 de bijstand van appellant tijdelijk stopgezet met ingang van 1 mei 2014 op de grond dat appellant niet de gevraagde gegevens heeft aangeleverd. Daarbij heeft het college appellant gewaarschuwd dat het recht op bijstand wordt opgeschort als appellant de gevraagde gegevens niet voor 28 mei 2014 inlevert. Bij besluit van 28 mei 2014 (opschortingsbesluit) heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 mei 2014 opgeschort op de grond dat appellant onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar de vraag of hij nog steeds recht op bijstand heeft, door niet de (volledige) stukken aan te leveren waarom was verzocht. Daarbij heeft het college appellant gewaarschuwd dat als hij niet voor 11 juni 2014 de gevraagde stukken volledig aanlevert om dit verzuim te herstellen, de bijstand vanaf 1 mei 2014 wordt ingetrokken. Bij besluit van 25 juni 2014 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 mei 2014 ingetrokken op de grond dat appellant niet tijdig aan de in het opschortingsbesluit vermelde verplichtingen heeft voldaan.

1.4.

Bij besluit van 3 november 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 14 mei 2014 en 25 juni 2014 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant sinds 24 maart 2014 geen verblijfstitel meer heeft op grond waarvan recht op bijstand bestaat.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellant geen vreemdeling is in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt appellant onder artikel 16, tweede lid, van de WWB, en kan aan hem zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen als bedoeld in het

eerste lid van dit artikel, geen bijstand ingevolge de WWB worden toegekend.

4.2.

Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1885) volgt dat, indien ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) daaraan niet met toepassing van de WWB gestalte kan worden gegeven. De vraag of appellant is aan te merken als een kwetsbaar persoon die op grond van artikel 8 van het EVRM bijzonder bescherming geniet, wordt daarom in dit kader in het midden gelaten.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat de intrekking van de bijstand onverenigbaar is met het in artikel 14 van het EVRM opgenomen discriminatieverbod in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en dat in zijn geval sprake is van een ‘individual and excessive burden’ door het ontnemen van eigendom in de vorm van een bijstandsuitkering. Deze beroepsgronden treffen geen doel. De Raad verwijst naar zijn uitspraken van 8 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:946) en 2 augustus 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2923). De Raad voegt daaraan toe dat in de vreemdelingenrechterlijke procedure niet is komen vast te staan dat appellant, zoals hij heeft aangevoerd, gedwongen naar Nederland is gebracht toen hij nog minderjarig was, hier langdurig gedwongen is geweest tot prostitutie en (ernstig) seksueel geweld heeft ondervonden. Anders dan appellant meent, is de zorgplicht voor slachtoffers van mensenhandel al om die reden geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de beëindiging van de bijstand in het geval van appellant wel een ‘individual and excessive burden’ oplevert.

4.4.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat de bijstand is ingetrokken op een moment dat een rechter nog niet had geoordeeld over de rechtmatigheid van de intrekking van zijn verblijfsrecht. Dit was volgens appellant voor een effectieve rechtsbescherming wel vereist. Hij heeft daartoe gewezen op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 28 juli 2011, Diouf, C-69/10, van 24 juni 2015, H.T., C-373/13, en van 18 december 2014, Abdida, C-562/13, en op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 15 januari 2009, nr. 28261/06, Ćosić tegen Kroatië. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de in 4.3vermelde uitspraak van 2 augustus 2016) volgt uit de door appellant ingeroepen arresten, die overigens een geheel ander feitencomplex betreffen, niet dat het recht op bijstand niet mag worden ingetrokken voordat de bestuursrechter uitspraak heeft gedaan in de vreemdelingenrechterlijke procedure.

4.5.

Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat de intrekking van de bijstand na een periode van rechtmatig verblijf en nog voordat onherroepelijk in zijn verblijfsprocedure was beslist of voor hem de mogelijkheid bestond terug te keren naar zijn land van herkomst, in strijd is met zijn gerechtvaardigde verwachtingen. Dit beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat appellant aan de enkele verlening van een tijdelijke verblijfsvergunning niet het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hem ook na de bij besluit van 24 maart 2014 gehandhaafde intrekking van dat verblijfsrecht - in weerwil van in de WWB opgenomen voorschriften - bijstand zou worden verleend.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot schadevergoeding geen grond. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en E.C.R. Schut en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) C.A.E. Bon

HD