Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3722

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
31-10-2017
Zaaknummer
16/2565 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding, ontbreken causaal verband. Verzoek om schadevergoeding terecht afgewezen. Aansluiting zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Geen causaal verband tussen de gestelde schade en het besluit van 31 oktober 2011, in de zin van een conditio sine qua non-verband. Reeds hierom bestond geen grondslag voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2017/242
ABkort 2017/343
JB 2017/211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2565 TW

Datum uitspraak: 18 oktober 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 maart 2016, 15/3115 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats] (appellanten)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2016. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is met ingang van 1 mei 1987 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en vanaf 14 februari 2002 voor een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). De toeslag is beëindigd met ingang van
1 augustus 2011 wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van appellant. Appellant had ten tijde hier van belang een eigen onderneming en verrichtte vanaf 29 juni 2010 tevens werkzaamheden als krantenbezorger.

1.2.

Bij besluit van 31 oktober 2011 is de toeslag van appellante over de periode van 29 juni 2010 tot en met 31 juli 2011 herzien op grond van de inkomsten van appellant als krantenbezorger. Daarbij is een bedrag van € 2.807,49 teruggevorderd. Het hiertegen door appellanten gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 april 2012 ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 24 januari 2013 van de rechtbank

Noord-Holland ongegrond verklaard. Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld.

2.1.

Bij brief van 13 februari 2014 hebben appellanten verzocht om herziening van het besluit van 31 oktober 2011. Zij hebben vervolgens een brief van de Belastingdienst van 18 maart 2014 ingezonden, waarin aan appellant te kennen is gegeven dat de inkomens van 2010 en 2011 zijn vastgesteld zonder dat er nog sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden.

2.2.

Bij besluit van 7 maart 2014 heeft het Uwv het verzoek om herziening van het besluit van 31 oktober 2011 afgewezen onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank van
24 januari 2013, omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten. Hiertegen hebben appellanten bezwaar gemaakt, waarbij tevens is verzocht om schadevergoeding. Bij besluit van 2 juni 2014 is het bezwaar ongegrond verklaard. Appellanten hebben hiertegen beroep ingesteld.

2.3.

Bij besluit van 13 januari 2015 heeft het Uwv op grond van een brief van de Belastingdienst van 10 december 2014 waarin is vermeld dat de inkomsten uit de werkzaamheden als krantenbezorger onderdeel zijn van de onderneming van appellant – en derhalve geen inkomsten als bedoeld in de TW – een ander standpunt ingenomen. Het Uwv heeft zowel het besluit van 7 maart 2014 als het besluit van 31 oktober 2011 ingetrokken. Daarbij is vermeld dat de inmiddels door appellanten terugbetaalde toeslag met wettelijke rente zal worden geretourneerd. Voorts is overwogen dat de door appellanten geclaimde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt.

2.4.

Bij uitspraak van 24 april 2015 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 2 juni 2014 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat appellanten, gelet op het wijzigingsbesluit van 13 januari 2015, geen belang meer hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep. Het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank

niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat dit verzoek moet worden gedaan in een zelfstandige verzoekschriftprocedure. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

3. Appellanten hebben het Uwv op 29 april 2015 verzocht om vergoeding van schade als gevolg van het besluit van 31 oktober 2011. Appellant heeft door de terugvordering door het Uwv zijn bedrijf niet kunnen voortzetten, waardoor hij inkomsten en fiscale voordelen heeft gemist en diverse kosten heeft moeten maken. Bij brief van 3 juli 2015 heeft het Uwv kenbaar gemaakt dat de verzochte schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat er geen sprake is van causaal verband. Bij brief van 9 juli 2015 heeft appellant aan de rechtbank Noord-Holland verzocht om schadevergoeding als gevolg van het besluit van 31 oktober 2011.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 31 oktober 2011 tot verlaging van de toeslag destijds op goede gronden, namelijk op grond van de toen beschikbare informatie, is genomen en dan ook geen onrechtmatig besluit is. Het besluit van
7 maart 2014 tot afwijzing van het verzoek om herziening van het besluit van 31 oktober 2011, is naar het oordeel van de rechtbank wel onrechtmatig gebleken. De gestelde schade is echter geen gevolg van dit besluit, maar van het – rechtmatige – besluit van 31 oktober 2011. Dat het Uwv uiteindelijk op grond van nieuwe informatie van de Belastingdienst het besluit van 31 oktober 2011 heeft teruggedraaid, maakt dat besluit volgens de rechtbank niet ‘met terugwerkende kracht’ onrechtmatig.

5.1.

In hoger beroep hebben appellanten aangevoerd dat het besluit van 31 oktober 2011 niet op goede gronden is genomen. Het Uwv had dat besluit moeten uitstellen in verband met het onderzoek door de Belastingdienst naar de inkomsten van appellant over 2010 en 2011. Nu ten gevolge van de brief van de Belastingdienst van 10 december 2014 is gebleken dat het besluit van 31 oktober 2011 onjuist was, is dit besluit onrechtmatig en dient het Uwv de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden. Appellanten stellen schade te hebben geleden als gevolg van het besluit van 31 oktober 2011 tot terugvordering van de verstrekte toeslag. Zij hebben herhaald dat appellant zijn bedrijf niet heeft kunnen voortzetten door de terugvordering. Daardoor zijn inkomsten en belastingvoordelen gemist en zijn kosten gemaakt; in totaal bedraagt de schade € 16.640,47. Daarnaast vorderen zij een immateriële schadevergoeding van € 3.000,-.

5.2.

Het Uwv heeft zijn standpunt herhaald dat het besluit van 31 oktober 2011 niet onrechtmatig is zodat er geen aanleiding is voor een schadevergoeding en heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en dat vervolgens alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (uitspraak van de Raad van 20 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:295).

6.2.

Uit 1.2 blijkt dat appellanten geen hoger beroep hebben ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 24 januari 2013. In deze uitspraak is het beroep tegen het besluit van
23 april 2012, waarbij het besluit van 31 oktober 2011 gehandhaafd is, ongegrond verklaard. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van de Raad van 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:437) dient er dan van te worden uitgegaan dat het besluit van
31 oktober 2011, zowel wat de wijze van totstandkoming als wat de inhoud betreft, in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen en dus rechtmatig is. Dit uitgangspunt geldt ook als achteraf blijkt dat dit besluit onjuist is. Gelet op die rechtspraak brengt de intrekking van het besluit van 31 oktober 2011 nog niet de onrechtmatigheid van dat besluit mee.

6.3.

In het onderhavige geval kan de vraag of het besluit van 31 oktober 2011 als onrechtmatig moet worden beoordeeld in het midden blijven. De vraag is namelijk ook of sprake is van causaal verband tussen het beweerdelijk onrechtmatige besluit van 31 oktober 2011 en de beweerdelijk geleden schade in de zin van een conditio sine qua non-verband
(uitspraak van de Hoge Raad van 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:18). Daarvoor is van belang of aannemelijk is dat, als het Uwv zijn besluit van 31 oktober 2011 niet had genomen, appellant zijn bedrijf niet had gestaakt en de door appellanten gestelde schade niet zou zijn ontstaan (uitspraak van de Raad van 8 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1103).

6.4.

Appellanten hebben als onderbouwing van hun stelling dat door het besluit van
31 oktober 2011 het bedrijf van appellant niet kon worden gecontinueerd en daardoor inkomsten en voordelen zijn misgelopen, uiteengezet welke omzet in 2010 en 2011 is gerealiseerd, welke fiscale gegevens zijn gehanteerd en hoe, bij continuering van het bedrijf, fiscale voordelen en beperking van lasten gerealiseerd hadden kunnen worden. Daartoe zijn fiscale gegevens, facturen en door appellanten vervaardigde overzichten van kosten en opbrengsten overgelegd van waaruit is berekend welke inkomsten zouden zijn misgelopen. Hiermee is weliswaar een onderbouwing gegeven van de schade die volgens hen is veroorzaakt doordat appellant zich door het besluit van 31 oktober 2011 genoodzaakt zag om zijn bedrijf te staken, maar is niet aannemelijk gemaakt dat die staking niet zou hebben plaatsgevonden indien het besluit van 31 oktober 2011 niet was genomen. Voor de beantwoording van die vraag is van belang dat uit het bezwaarschrift van appellanten van
26 november 2011 tegen het besluit van 31 oktober 2011 blijkt dat het bedrijf marginale inkomsten genereerde. Reeds toen bestonden er aanzienlijke schulden en waren er verschillende problemen over betalingen van toeleveranciers, creditkaart en energieleverantie. Voorts is van belang dat eerst met de eerste terugvorderingshandeling in mei 2012, geruime tijd nadat volgens appellanten de schade was ontstaan, uitvoering werd gegeven aan het besluit van 31 oktober 2011. Ook de hoogte van het termijnbedrag dat appellanten vanaf mei 2012 moesten terugbetalen, zijnde € 192,94 per maand, geeft gelet op de reeds bestaande substantiële bedrijfsschulden geen aanknopingspunten voor de gestelde noodzaak tot staken van de bedrijfsactiviteiten als gevolg van het besluit van 31 oktober 2011. Derhalve is niet aannemelijk dat, indien het Uwv het besluit van 31 oktober 2011 niet had genomen, de bedrijfsactiviteiten niet zouden zijn gestaakt en appellanten geen schade zouden hebben geleden. Veeleer is aannemelijk dat de staking van de bedrijfsactiviteiten volledig gelegen is in bij appellanten gelegen factoren die losstaan van het besluit van 31 oktober 2011. Een causaal verband tussen de gestelde schade en dit besluit, in de zin van een conditio sine qua non-verband, ontbreekt derhalve. Reeds hierom bestond geen grondslag voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding. Aan de vraag of de beweerde schade het Uwv als gevolg van het besluit van 31 oktober 2011 kan worden toegerekend wordt niet toegekomen. Ook voor immateriële schade bevatten de gegevens geen aanknopingspunten.

6.5.

Uit wat is overwogen in 6.1 tot en met 6.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak waarin de rechtbank het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen voor bevestiging in aanmerking komt, zij het, gelet op wat onder 6.3 en 6.4 is overwogen, met verbetering van gronden.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en B.M. van Dun en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) B. Dogan

AB