Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:372

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
02-02-2017
Zaaknummer
15/2261 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WGA-uitkering. Zorgvuldig onderzoek verzekeringsartsen. Er bestaat geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen van het Uwv getrokken conclusies over de belastbaarheid van appellant. Geen benoeming deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2261 WIA

Datum uitspraak: 1 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

3 maart 2015, 14/3439 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Bakker hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bakker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W.J.M.H. Lagerwaard. Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Het Uwv heeft een nader stuk ingediend.

Op 21 december 2016 heeft een nadere zitting plaatsgevonden. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bakker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. Lagerwaard.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als chef kruidenierswaren voor 40 uur per week bij een supermarkt. Op 5 november 2007 is hij uitgevallen wegens darmkanker. Daarnaast heeft hij psychische klachten ontwikkeld. Met ingang van 2 november 2009 is aan appellant een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Hij is daarbij volledig arbeidsongeschikt geacht. Met ingang van 2 oktober 2011 is die uitkering omgezet in een
WGA-loonaanvullingsuitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Eind 2013 heeft een herbeoordeling plaatsgevonden. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv bij besluit van 9 december 2013 de WGA-uitkering van appellant met ingang van
10 februari 2014 beëindigd omdat hij volgens het Uwv inmiddels minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 11 april 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 december 2013 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant in beroep een op zijn verzoek opgesteld rapport van verzekeringsarts E.C. van der Eijk van 19 november 2014 overgelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het medisch onderzoek van het Uwv is vastgelegd in rapporten van een verzekeringsarts van 19 november 2013 en van twee verzekeringsartsen bezwaar en beroep van 13 maart 2014 en 15 december 2014. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan te nemen dat het medisch onderzoek van het Uwv niet op zorgvuldige wijze is verricht. Alle naar voren gebrachte klachten, de onderzoeksbevindingen en de in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsartsen aspecten van appellants gezondheidstoestand hebben gemist. De rechtbank heeft het standpunt van appellant dat verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen niet gevolgd. De verzekeringsartsen hebben naar het oordeel van de rechtbank de medische belastbaarheid van appellant op inhoudelijk overtuigende wijze gemotiveerd. Verzekeringsarts bezwaar en beroep S. Gommers heeft voorts op een inzichtelijke wijze en voldoende gemotiveerd waarom het advies van Van der Eijk geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de psychische belastbaarheid van appellant door het Uwv is onderschat. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat Van der Eijk zijn conclusies heeft getrokken zonder dat hij appellant heeft gezien en dat uit zijn advies niet afdoende kan worden opgemaakt in hoeverre en om welke reden de conclusies, die zijn gebaseerd op algemene medische informatie, ook betrekking hebben op appellants individuele geval. Appellant heeft de door hem gestelde verdergaande beperkingen als gevolg van de darmklachten niet met medische informatie onderbouwd. De rechtbank heeft dan ook geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. Appellant moest op de datum in geding daarom in staat worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde medische belastbaarheid, zoals verwoord in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Uitgaande van de FML is appellant op de datum in geding in staat geacht de volgende functies te vervullen: houtwarensamensteller (SBC-code 262140), operator chemische en kunststofverwerkende industrie (SBC-code 271122) en wasserijmedewerker (SBC-code 272020). Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat en waarom de belasting in de geduide functies de vastgestelde medische belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep verwezen naar hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Volgens hem zijn zijn beperkingen niet juist vastgesteld en was hij niet in staat de geduide functies te vervullen. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn standpunt een rapport van 16 februari 2016 overgelegd, opgesteld door psycholoog S. Littink en psychiater A.H. Matthijsen, verbonden aan de polikliniek Dokter Bosman. Appellant heeft met name benadrukt dat hij ernstige vermoeidheidsklachten heeft, die medisch verklaarbaar en aannemelijk zijn en dat in verband daarmee een urenbeperking wegens energieverlies moet worden aangenomen. Daarnaast heeft hij gewezen op zijn vertraagde handelingstempo.

Naar aanleiding van de overweging van de rechtbank dat Van der Eijk appellant niet heeft gezien, heeft appellant aangevoerd dat ook verzekeringsarts R. Kuipers, die in de bezwaarfase heeft gerapporteerd, appellant niet heeft gezien; bij de hoorzitting was niet Kuipers, maar Gommers aanwezig. Appellant heeft de Raad verzocht een psychiater als deskundige te benoemen. Ter zitting heeft appellant in dit verband benadrukt dat hij naast een depressieve stoornis ook een obsessieve compulsieve persoonlijkheidsstoornis heeft en dat de artsen van het Uwv dit laatste hebben gemist.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft daarbij, in reactie op het door appellant in hoger beroep overgelegde rapport van 16 februari 2016, verwezen naar een ongedateerd rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep Gommers.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is voor een groot deel een herhaling van hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd. Het oordeel van de rechtbank hierover en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank worden onderschreven, waarbij wordt aangetekend dat niet verzekeringsarts bezwaar en beroep Kuipers, maar verzekeringsarts bezwaar en beroep Gommers appellant heeft gezien op de hoorzitting. Aan hetgeen de rechtbank heeft overwogen wordt het volgende toegevoegd.

4.2.

Appellant heeft met juistheid gesignaleerd dat het rapport van 13 maart 2014, dat ten grondslag heeft gelegen aan het bestreden besluit, is geschreven door verzekeringsarts bezwaar en beroep Kuipers, terwijl de hoorzitting niet door hem, maar door zijn collega Gommers, is bijgewoond. Hoewel dit niet expliciet is vermeld is evident dat hetgeen Kuipers in zijn rapport heeft vermeld onder de noemer “gegevens verkregen bij hoorzitting” is gebaseerd op informatie van zijn collega Gommers en dat het in het rapport beschreven “onderzoek psyche” ook is verricht door Gommers. In die zin is het rapport, anders dan het door appellant in de beroepsfase overgelegde rapport van verzekeringsarts Van der Eijk, wel gebaseerd op de eigen waarneming van een (collega) verzekeringsarts. Het dossier bevat geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de beschikbare informatie door de betrokken verzekeringsartsen bezwaar en beroep niet op de juiste wijze is gedeeld.

4.3.

Zoals verzekeringsarts bezwaar en beroep Gommers in reactie op het rapport van
16 februari 2016 van Matthijssen en Littink terecht heeft opgemerkt is appellant pas in januari 2015 bij Matthijssen en Littink onder behandeling gekomen. Dit was een klein jaar na de datum in geding, 10 februari 2014. Door de verzekeringsartsen van het Uwv is niet ontkend dat sprake is van een depressieve problematiek en dat appellant te kennen heeft gegeven vermoeidheidsklachten te hebben. Bij onderzoek in 2009 was sprake van ernstige depressieve klachten. Bij het onderzoek van de verzekeringsarts van 18 november 2013, dat de basis heeft gevormd voor het primaire besluit van 19 december 2013, was de medische situatie van appellant echter wezenlijk verbeterd. Door de verzekeringsarts werd toen geen beeld meer waargenomen van een ernstige depressie of extreme vermoeidheid. Ook het dagverhaal en het activiteitenniveau van appellant wezen niet in die richting. Ook op de hoorzitting van
3 maart 2014 maakte appellant op verzekeringsarts bezwaar en beroep Gommers geen duidelijk depressieve indruk; zijn gedachtegang was niet vertraagd en er was geen sprake van duidelijke cognitieve functiestoornissen. Ook was appellant op dat moment niet (meer) onder behandeling van de GGZ. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hiermee voldoende inzichtelijk gemaakt waarom hij in het rapport van Matthijssen en Littink geen aanleiding heeft gezien om te komen tot een aanpassing van de belastbaarheid van appellant op de datum in geding.

4.4.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de verzekeringsartsen van het Uwv zijn obsessief compulsieve persoonlijkheidsstoornis hebben gemist. Verzekeringsarts bezwaar en beroep Gommers heeft hieraan expliciet aandacht besteed in zijn rapport van
15 december 2014, geschreven naar aanleiding van het rapport van Van der Eijk van
19 november 2014. Gommers heeft erop gewezen dat de diagnose op zichzelf nog niets zegt over de mate en ernst van de problematiek en de daaruit voortvloeiende beperkingen en dat appellant ondanks de bij hem aanwezige persoonlijkheidsproblematiek in het verleden
fulltime heeft gefunctioneerd in arbeid. Voorts heeft Gommers erop gewezen dat bij appellant duidelijke beperkingen zijn aangenomen in die zin dat hij aangewezen wordt geacht op een voorspelbare werksituatie, zonder veelvuldige storingen of onderbrekingen, zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en zonder hoog handelingstempo en dat samenwerken mogelijk is mits in een eigen afgebakende deeltaak. Verdergaande beperkingen heeft Gommers met het oog op de persoonlijkheidsproblematiek van appellant niet aangewezen geacht.

4.5.

Concluderend is het door de verzekeringsartsen van het Uwv verrichte onderzoek zorgvuldig is geweest. Zij hebben voorts op inzichtelijke en concludente wijze gerapporteerd en daarbij op adequate wijze aandacht besteed aan de door appellant ingebrachte medische informatie. Daarbij hebben zij met name ook op navolgbare wijze toegelicht waarom op basis van die informatie niet meer beperkingen moeten worden aangenomen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen van het Uwv getrokken conclusies over de belastbaarheid van appellant. Voor het benoemen van een deskundige als door appellant verzocht bestaat onder deze omstandigheden geen aanleiding.

4.6.

Gelet op wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2017.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) B. Dogan

SS