Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3715

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
30-10-2017
Zaaknummer
16/2046 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet melden van op geld waardeerbare werkzaamheden. Handel in onderdelen van auto's. Plaatsen van advertenties op Marktplaats. Intrekking bijstand omdat het recht niet is vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2046 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

16 maart 2016, 15/3101 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

Datum uitspraak: 17 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.J.L.M. Dacier, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dacier. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.J.F.H. Weerts.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving, met onderbrekingen, bijstand sinds 15 mei 2008, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Naar aanleiding van meerdere door het college ontvangen anonieme meldingen in april en mei 2014, inhoudende dat appellant handelt in auto-onderdelen met name door middel van het plaatsen van advertenties op Marktplaats.nl (Marktplaats), heeft een sociaal rechercheur van de gemeente Heerlen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek gedaan, Suwinet geraadpleegd, gegevens bij de Dienst Wegverkeer opgevraagd, Marktplaats om inlichtingen verzocht, bij appellant gegevens opgevraagd en appellant met een collega op

15 april 2015 verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 juni 2015. Gerapporteerd is onder meer dat vanaf 28 september 2012 iedere maand meerdere advertenties op Marktplaats zijn geplaatst onder de in de anonieme meldingen genoemde gebruikersnamen, dat in totaal 2456 advertenties zijn geplaatst vanaf hetzelfde

IP-adres, dat het met name advertenties betreft waarin velgen en/of banden te koop worden aangeboden en dat daarvoor diverse accounts, gebruikersnamen, e-mailadressen en telefoonnummers worden gebruikt waaronder ook het bij de Afdeling Werkgelegenheid en Sociale Zaken van de gemeente Heerlen bekende telefoonnummer van appellant. Op 15 april 2015 heeft appellant onder meer verklaard dat hij advertenties op Marktplaats en Speurders.nl plaatst op verzoek van [naam eigenaar] ([A]), eigenaar van de naast zijn woning gelegen garage en tevens verhuurder van de woning.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

25 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 september 2015 (bestreden besluit), de bijstand van appellant per 28 september 2012 in te trekken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt van de verrichte op geld waardeerbare werkzaamheden met als gevolg dat het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 28 september 2012 tot en met 25 juni 2015.

4.2.

Appellant stelt zich op het standpunt dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat geen sprake is geweest van werkzaamheden maar van een vriendendienst. Appellant plaatste de advertenties om [A], die geen kennis heeft van internet, te helpen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.2.1.

Uit 1.2 volgt dat appellant vanaf 28 september 2012 in totaal 2456 advertenties voor auto-onderdelen op Marktplaats heeft geplaatst. Het beeld en patroon van activiteiten dat uit de geplaatste advertenties naar voren komt, wordt ondersteund door wat appellant op

15 april 2015 heeft verklaard. Appellant heeft onder meer verklaard dat hij de advertenties op Marktplaats op verzoek van [A] heeft geplaatst en dat hij dat al een aantal jaren doet, dat zijn telefoonnummer wordt vermeld omdat hij ook spullen van zichzelf heeft verkocht, dat hij de telefoontjes naar aanleiding van de advertenties beantwoordt, dat hij eventueel afspraken maakt om naar de garage te komen, dat hij van grotere voertuigen de velgen verwijdert en dat hij deze werkzaamheden verricht ter vergoeding van de aan [A] verschuldigde huur.

4.2.2.

Gelet op de aard, de omvang, de duur en het terugkerende karakter van de door appellant verrichte werkzaamheden, is sprake van op geld waardeerbare arbeid. Het gaat hier niet louter om een vriendendienst. De stelling dat appellant niet steeds nieuwe advertenties plaatste maar deze slechts heeft ‘ververst’ leidt niet tot een ander oordeel. Ook dergelijke activiteiten moeten in onderhavige situatie worden aangemerkt als op geld waardeerbare werkzaamheden.

4.2.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de PW, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Nu het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn geweest dat zijn activiteiten voor de verlening van de bijstand van belang konden zijn, heeft hij de inlichtingenverplichting geschonden.

4.3.

Schending van de inlichtingenverplichting vormt een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, appellant verkeerde in bijstandbehoeftige omstandigheden. Het is dan aan appellant feiten te stellen en zo nodig te bewijzen dat indien hij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan over de periode in geding recht op (aanvullende) bijstand bestond. Appellant is daarin niet geslaagd. Appellant beschikt niet over een deugdelijke administratie van zijn inkomsten uit de Marktplaatsactiviteiten. In bezwaar heeft appellant verklaard een vergoeding van [A] te hebben ontvangen van maximaal € 100,-. Ter ondersteuning van deze verklaring heeft hij een gelijkluidende verklaring van [A] gedateerd 14 augustus 2015 overgelegd. Anders dan appellant heeft aangevoerd, kan op grond van die verklaring het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Aan de verklaring van [A] komt niet die betekenis toe die appellant daaraan gehecht wenst te zien, reeds omdat een objectieve en verifieerbare onderbouwing van deze verklaring ontbreekt. Voorts ligt het niet op de weg van het college om [A] te horen over zijn verklaring.

4.4.

Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat hij disproportioneel wordt geraakt door de onderhavige besluitvorming omdat hij verstoken is van enige inkomstenbron en omdat hij vanwege de terugvordering en boetebeslissing een aanzienlijk bedrag moet betalen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Gelet op 4.3 was het college gehouden de bijstand van appellant in te trekken en bestaat voor het college geen ruimte, zoals appellant voorstaat, om gelet op bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien. Omdat in onderhavig geschil niet de terugvordering of het opleggen van een boete voorligt, kan de grond dat appellant gelet op zijn financiële situatie daardoor disproportioneel wordt geraakt hier verder buiten bespreking blijven.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.C.R. Schut en

M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2017.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD