Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3712

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
31-10-2017
Zaaknummer
16/1539 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:693
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ouderdomspensioenen van appellanten terecht herzien naar de norm voor een gehuwden in verband met samenwoning. Niet aannemelijk gemaakt dat appellant op een ander adres woonde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 1539 AOW, 16/1546 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

22 januari 2016, 15/2143 en 15/2148 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 17 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.P. Smit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Op 3 mei 2017 heeft mr. Smit medegedeeld dat hij niet langer als gemachtigde voor appellant optreedt.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn dochter [naam dochter]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door K. van Ingen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds maart 2007 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm voor een gehuwde. Appellante ontving sinds augustus 2009 een ouderdomspensioen op grond van de AOW naar de norm voor een gehuwde. Appellanten stonden beiden in de gemeentelijke basisadministratie personen ingeschreven op het adres [adres A] te [woonplaats] ([adres A]), appellante sinds 20 juli 2001 en appellant sinds 4 augustus 2004. Naar aanleiding van de melding dat appellanten niet meer samenwonen op het adres [adres A] en dat appellant vanaf 1 maart 2011 woont op het adres [adres B] te [woonplaats] ([adres B]) heeft de Svb de ouderdomspensioenen van appellanten met ingang van

1 maart 2011 gewijzigd naar de norm voor een ongehuwde. Naar aanleiding van de melding dat appellant zich weer had laten inschrijven op het adres [adres A] heeft de Svb met ingang van 1 maart 2014 de ouderdomspensioenen van appellanten weer gewijzigd naar de norm voor een gehuwde. Nadat appellant zich met ingang van 16 april 2014 weer had laten uitschrijven van het adres [adres A] en zich wederom had laten inschrijven op het adres [adres B], heeft de Svb de ouderdomspensioenen van appellanten vanaf april 2014 opnieuw gewijzigd naar de norm voor een ongehuwde.

1.2.

Omdat appellanten al eerder als samenwonend waren beschouwd, hebben toezichthouders van de afdeling Bijzonder onderzoek van Svb (toezichthouders) onderzocht of appellant daadwerkelijk nog woont op het adres [adres B] in een aan appellanten gezamenlijk in eigendom toebehorende recreatiewoning waar permanente bewoning niet is toegestaan. In het kader van dit onderzoek hebben de toezichthouders onder meer dossieronderzoek verricht, diverse gegevens opgevraagd, waaronder gegevens over het waterverbruik op het adres [adres A], het bungalowpark op het adres [adres B] waarop de recreatiewoning is gevestigd bezocht en de beheerder van het bungalowpark gehoord, informatie ingewonnen bij de afdeling wonen en ondernemen van de gemeente Holten, een buurtonderzoek rond het adres [adres A] gedaan en appellanten, ieder afzonderlijk, gehoord op 29 april 2015. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 juni 2015.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluiten van 18 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluiten van 27 en 28 augustus 2015 (bestreden besluiten), de ouderdomspensioenen van appellanten per 1 maart 2011 te herzien naar de norm voor een gehuwde. Aan de besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellant per 1 maart 2011 zijn hoofdverblijf heeft behouden op het adres [adres A]. Door niet te melden dat zij samenwoonden, hebben appellanten gehandeld in strijd met de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 maart 2011 tot en met 18 juni 2015.

4.2.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.3.

Appellanten hebben aangevoerd dat per 1 maart 2011 wel degelijk een einde is gekomen aan de voordien bestaande gezamenlijke huishouding, omdat appellant per die datum zijn hoofdverblijf niet langer had op het adres [adres A]. Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan appellanten menen, bieden de onderzoeksresultaten voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie van de Svb dat appellant ook in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het adres [adres A]. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.1.

Uit de gegevens over het waterverbruik van de woning op het adres [adres A] volgt dat nagenoeg geen wijziging is opgetreden in het waterverbruik nadat appellant stelt te zijn vertrokken naar de recreatiewoning. De door appellante daarvoor gegeven verklaring, dat zij het laatste jaar meer zou wassen voor haar dochter en schoonzoon, biedt hiervoor geen afdoende verklaring. Uit het buurtonderzoek volgt dat verschillende omwonenden van het adres [adres A] consistent en onafhankelijk van elkaar hebben verklaard dat appellanten daar al jaren samenwonen. De buren verklaren dat zij appellant horen en zien op het adres [adres A] en dat zij geen wijziging rond 2011 hebben geconstateerd. Verder heeft de beheerder van het bungalowpark op het adres [adres B] op 9 maart 2015 verklaard dat appellant de laatste twee à drie jaar niet in zijn recreatiewoning heeft gewoond en dat de woning het merendeel van de tijd verhuurd werd aan Polen. Deze verklaring vindt bevestiging in de door de Svb opgevraagde informatie over de door de gemeente [woonplaats] uitgevoerde controles permanente bewoning. Ten slotte heeft appellant tijdens het gesprek op 29 april 2015 tegenover de toezichthouders verklaard dat hij ook na 1 maart 2011 een eigen kamer in de woning aan de [adres A] had en hij in de serre zijn schildersatelier had en daar op dinsdagen ook sliep.

4.3.2.

Uit de onder 4.3.1 opgenomen feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, volgt dat appellant per 1 maart 2011, anders dan hij heeft gemeld aan de Svb, zijn hoofdverblijf op het adres [adres A] niet heeft beëindigd. De verklaring van appellant dat hij in de te beoordelen periode hoofdzakelijk in zijn camper sliep, leidt niet tot een andere conclusie.

4.4.

Appellant heeft ter zitting in beroep en hoger beroep aangevoerd dat hij de wijze waarop appellanten door de toezichthouders van de Svb op 29 april 2015 zijn gehoord, door hem als indoctrinerend en schandalig is ervaren. Appellanten werden schriftelijk uitgenodigd voor een gesprek, maar werden apart genomen en door drie mensen ondervraagd. Omdat appellant de door hem afgelegde verklaring na voorlezing/doorlezing heeft ondertekend en hij ter zitting ook te kennen heeft gegeven dat de onder 4.3.1 en 4.3.2 genoemde onderdelen van zijn verklaring in ieder geval juist zijn, en gelet op de overige onder 4.3.2 genoemde feiten en omstandigheden, bestaat in het licht van het door de Raad te beoordelen geschil geen aanleiding om hier nader op deze beroepsgrond in te gaan.

4.5.

Voorts hebben appellanten aangevoerd dat, mocht het zo zijn dat de Svb al in 2011 onderzoek heeft verricht, deze informatie ten onrechte niet aan het dossier is toegevoegd, dan wel dat de Svb niet had mogen wachten tot 2014 met het verrichten van onderzoek omdat hierdoor de vordering is opgelopen en appellanten in hun bewijspositie zijn benadeeld. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.1.

In het verweerschrift heeft de Svb te kennen gegeven dat in 2011 geen onderzoek heeft plaatsgevonden. De herziening van de ouderdomspensioenen per maart 2011 was gebaseerd op de mededeling dat appellanten niet langer samenwoonden. Destijds bestond geen aanleiding voor het instellen van een onderzoek naar de woonsituatie van appellanten. Er ontbreken dan ook geen stukken in het dossier. Pas in 2014 ontstond bij de Svb twijfel over de door appellanten verstrekte informatie over hun woonsituatie. Geen aanleiding bestaat om aan deze weergave door de Svb te twijfelen. Het standpunt van de Svb dat hij voldoende voortvarend heeft gehandeld door eind 2014 het onderzoek op te starten, kan worden gevolgd. Van een situatie van door toedoen van de Svb ontstane bewijsnood of oplopen van de vordering, kan dan ook geen sprake zijn. Daarbij wordt nog opgemerkt dat in de onderhavige procedure de besluiten tot terugvordering van de aan appellanten ten onrechte verstrekte ouderdomspensioenen niet voorliggen.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.C.R. Schut en

M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2017.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J.M.M. van Dalen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD