Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3710

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
17-2645 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Reorganisatie ontslag. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het niet mogelijk was om appellante te herplaatsen in een passende functie. Het college was dus op 3 november 2015 bevoegd appellante met toepassing van artikel B.13, eerste lid, van de CAP eervol ontslag te verlenen. Niet gezegd kan worden dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2018/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/2645 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

28 februari 2017, 16/2427 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht (college)

Datum uitspraak: 26 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.F. Adolf hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Adolf heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Adolf. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Yahia en J. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is in 1990 aangesteld bij de provincie Utrecht. Vanaf 2005 was zij werkzaam als [naam functie A] (salarisschaal 7).

1.2.

In het kader van een reorganisatie heeft het college appellante per 1 november 2013 aangemerkt als herplaatsingskandidaat.

1.3.

Bij brief van 6 december 2013 heeft het college aan appellante meegedeeld dat zij geen belangstelling kenbaar heeft gemaakt voor één of meer functies binnen haar functiegroep. Vervolgens heeft niettemin een plaatsingsgesprek plaatsgevonden. Op basis van dit gesprek heeft het college aan appellante het voornemen bekend gesteld om haar niet te plaatsen op een functie binnen haar functiegroep en om de aanmerking als herplaatsingskandidaat te handhaven. Bij (onherroepelijk) besluit van 23 december 2013 is appellante per 1 januari 2014 (definitief) aangemerkt als herplaatsingskandidaat.

1.4.

Het college heeft appellante bij besluit van 3 november 2015 met ingang van 16 februari 2016 reorganisatieontslag verleend. Het bezwaar daartegen is bij besluit van 5 april 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit laatste besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat het ondanks begeleiding door bureau MatchPoint niet mogelijk is gebleken om appellante te herplaatsen in een structurele functie. Wel heeft appellante tijdens de herplaatsingstermijn tweemaal tijdelijk op basis van interne detachering de functie van [naam functie B] vervuld. Tijdens deze detacheringen is volgens het college gebleken dat appellante niet geschikt is voor deze functie. Appellante heeft verder onder meer gesolliciteerd naar de functies van [functie C] en medewerker [functie D], die beide hetzelfde generieke functieprofiel hebben. Volgens het college beschikte appellante niet over de voor deze functies vereiste competenties, kennis en ervaring.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het college zowel in het algemeen als ten aanzien van de door appellante genoemde functies van [functie C] en medewerker [functie D] voldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht. Bij onherroepelijk besluit van 3 juni 2014 heeft het college afwijzend beslist op de sollicitatie naar de functie van [functie C]. De functie van medewerker [functie D] betreft feitelijk dezelfde functie als de functie van [functie C]. Voor deze functie heeft het college appellante eveneens niet geschikt geacht, omdat zij niet over de vereiste kennis en opleiding beschikt en omdat zij naar redelijke verwachting niet binnen één jaar het praktijkdiploma boekhouden en het praktijkdiploma loonadministratie zou behalen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij wel geschikt is voor deze functie.

3. Appellante heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel B.13, eerste lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP) kan aan een provincieambtenaar reorganisatieontslag worden verleend als het niet mogelijk is gebleken hem te benoemen in een passende functie.

4.2.

De provincie Utrecht hanteert een mobiliteitsbeleid “Duurzaam inzetbaar op korte en lange termijn” (januari 2012). Daarin is als uitgangspunt van de geschiktheid voor een functie gehanteerd “goed is goed genoeg”, wat is vertaald naar een match van 70% of meer en een ontwikkelbaarheid naar 100% binnen één jaar.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 22 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1956) kan een ontslag als hier aan de orde slechts plaatsvinden indien het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de openbare dienst van de organisatie, mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden, andere, voor hem passende werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze zodanige werkzaamheden weigert te aanvaarden.

4.4.1.

De Raad moet de vraag beantwoorden of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij op grond van artikel B.13, eerste lid, van de CAP bevoegd was appellante eervol ontslag te verlenen, omdat het niet mogelijk is gebleken appellante te herplaatsen in een passende functie. Omdat appellante heeft gesteld dat het college in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid door haar sollicitatie(s) af te wijzen, is een onderdeel van deze vraag of het college de sollicitatie naar de functie van medewerker [functie D] niet ten onrechte heeft afgewezen, welke sollicitaties moeten worden geplaatst in het kader van de toepassing van het in 4.1 genoemde artikel B.13 van de CAP, het Sociaal Statuut en het in 4.3 genoemde beleid in onderlinge samenhang bezien.

4.4.2.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college bij de afwijzing van de in geding zijnde sollicitatie niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Het college heeft als criterium gehanteerd of appellante voldeed aan het vereiste van 70% geschiktheid plus een ontwikkelbaar naar 100%, zoals neergelegd in het mobiliteitsbeleid. De afwijzing is primair gebaseerd op het feit dat appellante voor deze functie geen relevante kennis en ervaring heeft en subsidiair dat appellante niet binnen één jaar geschikt zal zijn, omdat zij - zoals tussen partijen vaststaat -niet over de vereiste vakopleidingen beschikte, namelijk het praktijkdiploma boekhouden en het praktijkdiploma loonadministratie. Appellante was werkzaam in de functie van DIV-medewerker A (schaal 7). Voor wat betreft onder meer de vakinhoudelijke kant is dat een niet met die van medewerker [functie D] overeenkomende functie. Waar het in eerstgenoemde functie vooral gebruikersondersteuning op het terrein van documentaire informatie betreft, gaat het in de functie van medewerker [functie D] om onder meer de administratieve uitwerking, vastlegging en afhandeling van personele mutaties. Appellante beschikte niet over de daarvoor vereiste inhoudelijke basiskennis, zoals kennis over sociale verzekeringswetgeving en rechtspositionele regelingen. Bovendien moet de medewerker [functie D] duaal inzetbaar zijn, voor zowel het personele domein als het financiële domein. Evenmin is gebleken dat appellante beschikte over de vereiste kennis op het terrein van de financiële administratie. Ondanks het bij de afwijzing van 3 juni 2014 meegegeven advies had appellante niet al één of beide praktijkopleidingen gevolgd om bij een eventuele volgende vacature wel aan deze eisen te kunnen voldoen. In plaats daarvan heeft appellante zich kennelijk volledig gericht op haar werk als gedetacheerde in de functie [naam functie B]. Aldus heeft het college het primaire standpunt voldoende onderbouwd en de afwijzing niet ten onrechte gehandhaafd. Bespreking van de subsidiaire grond kan achterwege blijven.

4.5.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het college zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het niet mogelijk was om appellante te herplaatsen in een passende functie. Het college was dus op 3 november 2015 bevoegd appellante met toepassing van artikel B.13, eerste lid, van de CAP eervol ontslag te verlenen. Niet gezegd kan worden dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6.

Uit 4.4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en H. Lagas en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2017.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) C.A.E. Bon

HD