Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:37

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2017
Datum publicatie
16-01-2017
Zaaknummer
15/3226 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte intrekking en terugvordering. Inschrijving in Britse kamer van koophandel als directeur en secretaris met aandelenbezit niet gemeld. Schending inlichtingenverplichting. Slapend bestaan onderneming aannemelijk gemaakt. Geen waarde aandelen. Besluiten worden herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3226 WWB

Datum uitspraak: 3 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 maart 2015, 14/5651 en 14/5288 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (commissie)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.J.E. Loontjens, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

De commissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 15/5910 WWB, plaatsgevonden op

22 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Loontjens. De commissie heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Jacobs. De Raad heeft het onderzoek in de zaak 15/5910 WWB heden heropend.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 30 maart 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

In verband met onduidelijkheid aangaande de woonsituatie van appellant heeft de afdeling Toezicht en Handhaving van de directie Dienstverlening van de gemeente Breda (afdeling Toezicht en Handhaving) onder meer onderzoek gedaan op het internet. Daarbij is naar voren gekomen dat appellant mogelijk werkzaam is als zelfstandig ondernemer. De afdeling Toezicht en Handhaving heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn registers geraadpleegd, is informatie ingewonnen bij het Internationaal Bureau Fraude-Informatie en is appellant op 7 oktober 2013 verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 oktober 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor de commissie aanleiding geweest om bij besluit van

23 oktober 2013, gehandhaafd bij besluit van 15 juli 2014 (bestreden besluit), de bijstand van appellant over de periode van 30 maart 2010 tot en met 30 september 2013 (te beoordelen periode) in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 48.818,75 van appellant terug te vorderen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant in de te beoordelen periode betrokken was bij een in Groot-Brittannië gevestigde onderneming genaamd 4WE2 Limited (onderneming). Appellant heeft dit niet uit eigen beweging aan de commissie gemeld, zodat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Omdat appellant onvoldoende informatie heeft verstrekt over zijn werkzaamheden in de onderneming en de aandelen die hij daarin had, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden en dat, indien tot schending van de inlichtingenverplichting wordt geconcludeerd, hij wel recht heeft op bijstand.

4.1.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.1.2.

Uit het onder 1.2 vermelde onderzoek blijkt dat de onderneming in de te beoordelen periode ingeschreven stond bij de Britse Kamer van Koophandel, het Companies House (CH). Appellant stond vermeld als directeur en secretaris van de onderneming. Ook stond hij vermeld als houder van 96.900 aandelen van de in totaal 100.000 aandelen van de onderneming. Tijdens het verhoor op 7 oktober 2013 heeft appellant verklaard dat hij jaarlijks € 40,- betaalt aan hostingskosten voor de homepage van de onderneming en £ 15,- per jaar voor de inschrijving bij het CH. Bovendien is een wijziging in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) van het privéadres van appellant per 24 augustus 2011 al op 23 augustus 2011 doorgegeven bij het CH als adres van de directeur/secretaris. Niet in geschil is dat appellant zijn functies in de onderneming, het aandelenbezit en de inschrijving bij het CH niet heeft gemeld. Het gaat hier om gegevens waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Dat betekent dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant heeft aangevoerd dat hij in 2009 zijn aandelen aan de mede-aandeelhouder [naam A] heeft overgedragen en hij vanaf 2009 geen zeggenschap meer heeft in de onderneming. Appellant heeft dat niet aannemelijk gemaakt. Uit het uittreksel van de registratie bij het CH blijkt dat appellant op 21 juni 2013 nog steeds 96.900 van de 100.000 aandelen in handen had. Ook de ter zitting aangevoerde stelling dat [naam A] de adresgegevens van appellant zou hebben veranderd bij het CH, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Het is onwaarschijnlijk dat een derde als [naam A] een dag voordat de wijziging van de persoonsgegevens van appellant aan het GBA wordt doorgegeven kennis heeft van deze adreswijziging en buiten appellant om deze wijziging doorgeeft aan het CH.

4.1.3.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.1.4.

Appellant heeft in eerdere fasen van de procedure en in hoger beroep stukken ingediend ter onderbouwing van zijn stelling dat, ondanks een mogelijke schending van de inlichtingenverplichting, hij recht had op bijstand. Appellant heeft ter zitting toegelicht dat hij de onderneming in 2001 heeft opgericht in verband met zijn ideeën over een aanmerkelijke technische verbetering van de kwaliteit van videoconferencing. Echter door technische ontwikkelingen als Skype was het niet mogelijk om zijn ideeën succesvol te exploiteren. De onderneming leidde in de te beoordelen periode een slapend bestaan.

4.1.5.

De stukken waar appellant zich op baseert zijn onder meer jaarstukken van de onderneming, waaruit blijkt dat van 2009 tot en met 2012 het ondernemingsvermogen in die jaren £ 10,- bedroeg. Voorts is een rapport van 31 december 2013 van Creditsafe (rapport) overgelegd. Creditsafe is een instelling die op verzoek de kredietwaardigheid van bedrijven onderzoekt. Blijkens het rapport heeft de onderneming niet gehandeld in 2012, bedraagt het aandelenkapitaal £ 1,- en heeft de onderneming vanaf 5 februari 2008 de status van Dormant Company. De term Dormant Company verwijst naar het gegeven dat een bedrijf niet (meer) actief is in het handelsverkeer. Ook het uittreksel van de onderneming uit het register bij het CH bevat de term ‘Dormant’.

4.1.6.

Op grond van 4.1.4 en 4.1.5 heeft appellant aannemelijk gemaakt dat de onderneming in de te beoordelen periode een slapend bestaan leidde en dat de aandelen, waarvan appellant het grootste deel in handen had, in totaal slechts £ 1,- waard waren. Appellant heeft daarmee tevens aannemelijk gemaakt dat hij recht op bijstand zou hebben gehad, indien hij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan. De drie advertenties van de onderneming op het internet die het onderzoek van de commissie heeft opgeleverd, leiden niet tot een andere conclusie. Bij twee advertenties ontbreekt een aanduiding van de datum van publicatie, zodat niet vastgesteld kan worden of deze advertenties betrekking hebben op de te beoordelen periode. De derde advertentie bevat wel een datum maar die valt buiten de te beoordelen periode. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie

4.2.

Uit 4.1.6 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aansluitend moet worden bezien welk gevolg aan deze uitkomst wordt gegeven. De commissie heeft ten onrechte de bijstand over de periode van 30 maart 2010 tot en met 30 september 2013 ingetrokken en teruggevorderd. Dat gebrek kleeft ook aan het besluit van 23 oktober 2013. De Raad zal daarom tevens met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het besluit van 23 oktober 2013 te herroepen.

5. Aanleiding bestaat om de commissie te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in bezwaar (kosten rechtsbijstand), € 993,08 in beroep (kosten rechtsbijstand € 990,- en reiskosten € 3,08) en € 1.024,84 in hoger beroep (kosten rechtsbijstand € 990,- en reiskosten € 34,84), in totaal € 3.007,92.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 15 juli 2014;

- herroept het besluit van 23 oktober 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het besluit van 15 juli 2014;

- veroordeelt de commissie in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.007,92;

- bepaalt dat de commissie aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en H.C.P. Venema en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) C. Moustaïne

HD