Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3698

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
31-10-2017
Zaaknummer
16/2643 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:1930, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding. Woonlastenverzekering bij onvrijwillige werkloosheid. De Raad voorziet zelf. Proceskostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2017/100
AB 2018/16 met annotatie van C.N.J. Kortmann
RSV 2017/265
RSV 2018/33
ABkort 2017/340
JB 2017/215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2643 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

16 maart 2016, 14/5120 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 25 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.G. van Westrenen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2017. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 maart 2011 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 27 juni 2011 heeft het Uwv de WW-uitkering vanaf 13 juni 2011 blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellant passende arbeid heeft geweigerd. Bij uitspraak van 19 juni 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:CA3752) heeft de Raad het besluit van
27 juni 2011 herroepen. Het Uwv heeft na die uitspraak op 1 juli 2013 de uitkering over de periode van 13 juni 2011 tot en met 30 juni 2013 alsnog betaald, op 2 juli 2013 het vakantiegeld en op 5 juli 2013 de wettelijke rente over de periode van 13 juni 2011 tot en met 12 mei 2013.

1.2.

Bij brief van 23 januari 2014 heeft appellant verzocht om zijn schade als gevolg van het onrechtmatige besluit van 27 juni 2011 te vergoeden. Hij heeft in dit verzoek een specificatie opgenomen van de beweerdelijk geleden schade. De specificatie bevat de volgende schadeposten:

- € 1.105,- aan kosten van pogingen tot verkoop van zijn woning (schadepost 1);

- € 438,22 aan wettelijke rente over 20 op 22 november 2012 nabetaalde termijnen van een woonlastenverzekering die uitkeert bij onvrijwillige werkloosheid (schadepost 2);

- € 151,17 aan wettelijke rente over bedragen die appellant van zijn kinderen heeft geleend (schadepost 3);

- € 5.000,- aan immateriële schade (schadepost 4);

- € 3.738,78 aan buitengerechtelijke kosten (schadepost 5).

1.3.

Bij besluit van 18 maart 2014 heeft het Uwv het verzoek van appellant afgewezen. “Uit coulance” heeft het Uwv appellant echter wel een bedrag van € 500,- (inclusief buitengerechtelijke kosten) toegekend. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 19 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 maart 2014 ongegrond verklaard.

2.1.

Bij tussenuitspraak van 22 juli 2015 heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat het besluit van 27 juni 2011 als onrechtmatig besluit moet worden aangemerkt. Wat betreft de schadeposten 3 en 4 heeft het Uwv het verzoek van appellant terecht en op goede gronden afgewezen. Wat betreft de schadeposten 1, 2 en 5 heeft het Uwv de afwijzing van het verzoek van appellant volgens de rechtbank echter niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld dit gebrek binnen zes weken na de tussenuitspraak te herstellen. Het Uwv heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en bij brief van 27 augustus 2015 een aanvullende motivering aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Ten aanzien van de schadeposten 1 en 2 heeft het Uwv, onder verwijzing naar uitspraken van de Raad en van het gerechtshof Amsterdam, uiteengezet dat het hier gaat om gestelde schade in de vorm van vermogensschade als gevolg van de vertraging in de voldoening van een geldsom, die opgaat in de al vergoede wettelijke rente. Ten aanzien van schadepost 5 heeft het Uwv gesteld dat, nu het schadeverzoek voor het overige geheel is afgewezen, hier geen ruimte voor is.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank, anders dan in de tussenuitspraak, overwogen dat uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat – kort gezegd – alle schade die als gevolg van de vertraagde uitbetaling van een geldsom wordt geleden, wordt gefixeerd op de wettelijke rente. De rechtbank heeft geoordeeld dat de gestelde schadeposten 1 en 2 het gevolg zijn van de vertraagde uitbetaling van een geldsom en dat deze schade is vergoed met de wettelijke rente. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank de buitengerechtelijke kosten als omschreven in schadepost 5 terecht afgewezen op de grond dat de schadevergoeding als zodanig volledig is afgewezen.

3.1.

Appellant heeft uitsluitend hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Hij heeft daarbij aangevoerd dat de ommezwaai die de rechtbank heeft gemaakt in de einduitspraak onbegrijpelijk is. Appellant is bekend met de opvatting dat de wettelijke rente in feite geen rente is, maar een gefixeerde schadevergoeding. Toch heeft hij behoefte op te merken dat alle schade het rechtstreeks gevolg is van het tegen beter weten in nemen van de initiële beslissing hem uitkering te ontzeggen en twee jaar te onthouden. De door appellant geleden schade als gevolg hiervan is hoger dan de wettelijke rente, ook als de immateriële schade buiten beschouwing blijft.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 juli 2013.

4.2.

Een beslissing over de vergoeding van beweerdelijk geleden schade is een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht indien deze schade beweerdelijk het gevolg is van een besluit, of een daarmee gelijk te stellen handeling, waartegen bezwaar en beroep bij de bestuursrechter mogelijk is (materiële connexiteit). Verder wordt het (hoger) beroep tegen een zelfstandig schadebesluit beoordeeld door de bestuursrechter die bevoegd is te oordelen over het (hoger) beroep tegen het schadeveroorzakende besluit (processuele connexiteit). Appellant heeft aan zijn verzoek om schadevergoeding de gestelde onrechtmatigheid van het besluit van 27 juni 2011 ten grondslag gelegd. Daarmee is sprake van processuele en materiële connexiteit.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 januari 2011, ECLI:NL:CRVB: 2011:BP2317) dient voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en in welke omvang, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Op grond van artikel 6:119 van het BW bestaat de schadevergoeding, verschuldigd wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom, in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Met de vergoeding van de wettelijke rente wordt geacht alle schade, ontstaan door vertraging in de voldoening van een geldsom, te zijn voldaan.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit van 27 juni 2011 als onrechtmatig besluit moet worden aangemerkt. Daarmee is ook de toerekening van die onrechtmatigheid aan het Uwv gegeven.

4.5.

Appellant heeft uitsluitend hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en niet ook tegen de tussenuitspraak van 22 juli 2015. Gelet hierop – en mede in aanmerking genomen de inhoud van de tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak als kort weergegeven in 2.1 en 2.2 – vallen de schadeposten 3 en 4 buiten de omvang van het hoger beroep en kan het hoger beroep alleen gericht zijn tegen het oordeel van de rechtbank over de schadeposten 1, 2 en 5. Nu appellant in hoger beroep geen gronden heeft aangevoerd die zien op schadepost 5 wordt ervan uitgegaan dat het hoger beroep zich alleen richt tegen het oordeel van de rechtbank voor zover dat betrekking heeft op de schadeposten 1 en 2. Hierna zal daarom alleen op deze twee schadeposten worden ingegaan.

4.6.

Ten aanzien van schadepost 1 heeft de rechtbank terecht het standpunt van het Uwv als neergelegd in de brief van 27 augustus 2015 onderschreven. Schadepost 1 is terug te voeren op een tijdelijk gemis aan geld als gevolg van de blijvend gehele weigering van de
WW-uitkering, die is neergelegd in het onrechtmatige besluit van 27 juni 2011. Het gaat hier dus om vermogensschade, als gevolg van vertraging in de voldoening van een geldsom. De vergoeding van deze schade is terecht gefixeerd op de wettelijke rente (vergelijk de uitspraak van 5 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1306).

4.7.

Voor schadepost 2 geldt dat het niet gaat om schade veroorzaakt door een vertraging in de voldoening van de WW-uitkering van appellant. Deze schade is niet ontstaan doordat appellant verstoken is gebleven van een WW-uitkering, maar doordat het Uwv bij het onrechtmatige besluit van 27 juni 2011 de uitkeringspositie van appellant onjuist heeft vastgesteld (vergelijk de uitspraak van de Raad van 8 februari 2017,
ECLI:NL:CRVB:2017:466). De door appellant afgesloten woonlastenverzekering geeft recht op een vergoeding per maand bij onvrijwillige werkloosheid. Onvrijwillige werkloosheid is daarbij, voor zover hier van belang, omschreven als de situatie waarin de verzekerde een uitkering ontvangt op grond van de WW wegens het onvrijwillig en niet te verwijten volledige verlies van een betaalde dienstbetrekking. Aannemelijk is dat, als het Uwv het onrechtmatige besluit van 27 juni 2011 niet had genomen, de woonlastenverzekeraar aan appellant iedere maand een bedrag van € 440,- was blijven uitkeren, zoals hij dat ook heeft gedaan tot aan het onrechtmatige besluit en zoals hij dat heeft gedaan nadat hij op de hoogte was gesteld van de uitspraak van het alsnog ontvangen van een WW-uitkering door appellant. Daarmee is het causaal verband tussen de gestelde schade en het onrechtmatige besluit, in de zin van een condicio sine qua non-verband, gegeven (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:18). Vervolgens is aan de orde of de gestelde schade het Uwv als gevolg van het onrechtmatige besluit kan worden toegerekend (zie de uitspraak van de Raad van 8 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1103).

4.8.

Appellant kon zich pas met succes tot zijn woonlastenverzekeraar wenden nadat hij door de Raad in het gelijk was gesteld en het Uwv alsnog tot betaling van een WW-uitkering was overgegaan. Uitgaande van een in dit verband redelijk te achten termijn had appellant zich binnen twee weken na 1 juli 2013 tot zijn woonlastenverzekeraar kunnen – en met het oog op zijn plicht tot schadebeperking ook: moeten – wenden met een verzoek om uitkering. Uit de door appellant bij zijn verzoek om schadevergoeding van 23 januari 2014 gevoegde stukken blijkt echter dat hij zich pas op 17 oktober 2013 tot zijn woonlastenverzekeraar heeft gewend. Hierdoor is een onnodige vertraging opgetreden in de uitbetaling van de verzekeringstermijnen, die voor risico van appellant komt. Dit betekent dat de gestelde schade niet geheel aan het Uwv kan worden toegerekend. Hieruit volgt dat de berekening van appellant van de omvang van schadepost 2 niet geheel kan worden gevolgd. Appellant heeft de wettelijke rente over de alsnog door de verzekeraar betaalde bedragen per termijn berekend door als beginpunt te nemen het moment waarop betaald zou zijn wanneer het Uwv het onrechtmatige besluit van 27 juni 2011 niet zou hebben genomen. Dit wordt gevolgd. Als eindpunt heeft appellant genomen 22 november 2013, de datum waarop de verzekeraar de nabetaling heeft verricht. Dit wordt niet gevolgd. Rekening houdend met de voor rekening van appellant blijvende vertraging van drie maanden wordt het eindpunt (arbitrair) gesteld op 22 augustus 2013. Hiervan uitgaande komt het te vergoeden bedrag niet op het door appellant gevorderde bedrag van € 438,22, maar op € 369,71. Dit bedrag dient door het Uwv te worden vergoed. Hierbij wordt aangetekend dat het hier, anders dan door het Uwv in het bestreden besluit gesteld, niet gaat om schade die voor risico van de woonlastenverzekeraar komt. De schade is immers, zoals in 4.7 overwogen, veroorzaakt door de onjuiste vaststelling van de uitkeringspositie van appellant door het Uwv. Dit bedrag kan niet geacht worden begrepen te zijn in het bedrag van € 500,- dat het Uwv appellant “uit coulance” heeft betaald, nu op dit bedrag recht bestaat; het valt daarom niet onder de noemer “coulance”.

4.9.

Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.8 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat het Uwv aan appellant een schadevergoeding betaalt van

€ 369,71 aan wettelijke rente over door de woonlastenverzekeraar nabetaalde termijnen van zijn woonlastenverzekering. Dit bedrag dient te worden vergoed naast de reeds betaalde vergoeding uit coulance.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 495,- voor verleende rechtsbijstand in bezwaar, € 495,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 495,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal
€ 1.485,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 19 juni 2014;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant aan schadevergoeding betaalt een bedrag van € 369,71 ter zake van wettelijke rente over door de woonlastenverzekeraar nabetaalde termijnen van zijn woonlastenverzekering;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt het Uwv in de door appellant in bezwaar, in beroep en in hoger beroep gemaakte kosten tot een totaalbedrag van € 1.485,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2017.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) S.L. Alves

AB