Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3696

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
31-10-2017
Zaaknummer
16/5580 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met nader besluit niet geheel tegemoet gekomen. Ten onrechte weigering WW-uitkering. Wel voldaan aan referte-eis. Meerdere werkgevers. De tekst van artikel 17a, tweede lid, van de WW, stelt (...) geen eisen aan de duur en inhoud van de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan om in de plaats te komen van een of meer dienstbetrekkingen. Hoogte dagloon.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 17a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/13
NJB 2017/2157
USZ 2017/430
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5580 WW, 16/7197 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

14 juli 2016, 16/111 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 25 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.W. Phea , advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 19 augustus 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Appellant heeft zijn zienswijze gegeven op de nieuwe beslissing op bezwaar, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Phea. Voor het Uwv is mr. P.J. Reith verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is van 1 november 2011 tot en met 30 september 2014 als [naam functie] werkzaam geweest in zijn eigen [naam restaurant 1] Vervolgens is hij van
24 november 2014 tot en met 31 december 2014 als algemeen medewerker in loondienst werkzaam geweest bij [naam werkgever 1] . Appellant is daarna van 11 januari 2015 tot en met 31 mei 2015 in loondienst werkzaam geweest als keukenhulp bij [naam werkgever 2] , handelend onder de naam [naam restaurant 2] ( [naam restaurant 2] ), voor gemiddeld 10 uur per week. Met ingang van 4 juni 2015 is hij in dienst getreden van [naam werkgever 3] ( [naam werkgever 3] ) als keukenhulp voor gemiddeld 7 uur per week op grond van een overeenkomst voor bepaalde tijd tot 30 november 2015. Appellant is voorts van 8 juni tot en met 26 juni 2015 als vertaler/tolk gedurende 30 uur per week in loondienst werkzaam geweest bij [naam werkgever 1] .

1.2.

Op 29 juni 2015 heeft appellant wegens het eindigen van het dienstverband als vertaler/tolk bij [naam werkgever 1] een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.3.

Bij besluiten van 14 juli en 17 juli 2015 heeft het Uwv appellant per 29 juni 2015 een WW-uitkering ontzegd op de grond dat er geen sprake is van een arbeidsurenverlies van minimaal 5 uur. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.

1.4.

Bij brief van 28 september 2015 heeft het Uwv aan appellant laten weten dat hij vanaf

29 juni 2015 in aanmerking komt voor WW-uitkering met een duur van 22 maanden en een dagloon van € 32,04. Daarbij is meegedeeld dat, indien naast de WW-uitkering gewerkt wordt, die inkomsten gekort worden op de uitkering. Appellant is verzocht mee te delen of hij hiermee akkoord gaat, waarna het recht op uitkering geëffectueerd zal worden.

1.5.

Bij brief van 7 oktober 2015 heeft appellant kenbaar gemaakt niet akkoord te gaan met de in de brief van 28 september 2015 vermelde dagloonberekening en inkomstenkorting.

1.6.

Het door appellant tegen de besluiten van 14 en 17 juli 2015 gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 24 november 2015 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv de motivering gewijzigd in die zin dat wel sprake is van minimaal

5 uur arbeidsurenverlies, maar dat niet is voldaan aan de eis dat de werknemer in de 36 weken voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft gehad (referte-eis). Het dienstverband als vertaler/tolk bij [naam werkgever 1] heeft slechts drie weken geduurd en is niet in de plaats gekomen van het dienstverband als keukenhulp bij [naam restaurant 2] , wat betekent dat de arbeidsuren bij [naam restaurant 2] niet meetellen voor de referte-eis. Voorts is in bestreden besluit 1 gesteld dat de brief van 28 september 2015 slechts berekeningen bevat en geen ondubbelzinnige toezeggingen of een besluit tot toekenning van een WW-uitkering.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen om met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft beslissingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht gegeven.

2.2.

De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de dienstbetrekking bij [naam werkgever 1] van 8 juni 2015 tot en met 26 juni 2015 niet in de plaats is gekomen van het dienstverband bij [naam restaurant 2] dat per 1 juni 2015 is geëindigd. In dit specifieke geval is het van belang alle aspecten van de dienstbetrekkingen in de beoordeling te betrekken. Appellants arbeidsverleden heeft voor het grootste gedeelte bestaan en bestaat nog steeds uit werkzaamheden in de horeca. Hij heeft slechts gedurende enkele weken in november en december 2014 bij [naam werkgever 1] in loondienst gewerkt en ook de dienstbetrekking bij [naam werkgever 1] waaruit de werkloosheid is ontstaan, heeft slechts drie weken geduurd. Gelet hierop moet de dienstbetrekking bij [naam werkgever 3] vanaf 4 juni 2015 als opvolgende dienstbetrekking worden aangemerkt voor het werk bij [naam restaurant 2] en niet de dienstbetrekking bij [naam werkgever 1] . Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de dienstbetrekking bij [naam werkgever 3] eerder is begonnen dan de dienstbetrekking bij [naam werkgever 1] en dat het aantal uren bij [naam werkgever 3] vergelijkbaar is met de gewerkte uren bij [naam restaurant 2] .

2.3.

Over het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft de rechtbank vastgesteld dat in de brief van 28 september 2015 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is gesteld dat appellant vanaf

29 juni 2015 recht heeft op een WW-uitkering met een duur van 22 maanden en een dagloon van € 32,04. Dat effectuering van de uitkering afhankelijk is gesteld van het akkoord van de gemachtigde leidt niet tot een ander oordeel. De brief van 28 september 2015 heeft bij appellant de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat hem met ingang van 29 juni 2015 een WW-uitkering zou worden toegekend naar een dagloon van € 32,04. Gelet hierop slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel en stond het het Uwv niet meer vrij om met terugwerkende kracht alsnog de WW-uitkering te weigeren. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat dit de bevoegdheid van het Uwv onverlet laat om, indien daarvoor termen aanwezig zijn, de WW-uitkering per toekomende datum te herzien of in te trekken.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij wel voldoet aan de referte-eis, omdat het dienstverband als vertaler/tolk bij [naam werkgever 1] in de plaats is getreden van het dienstverband bij [naam restaurant 2] . Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte de aard van de werkzaamheden, het aantal uren en de aanvang van de werkzaamheden bij [naam werkgever 3] in de beoordeling betrokken. Verder heeft appellant aangevoerd dat het dagloon te laag is vastgesteld. Dit dient vastgesteld te worden op € 133,33.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens het Uwv zijn alle aspecten van appellants dienstbetrekkingen, waaronder omvang en aard, van belang bij de beoordeling welke dienstbetrekking voor een andere in de plaats is gekomen. Het Uwv heeft verwezen naar rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:1994:AL0344, ECLI:NL:CRVB:1994:AL0368, ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7451, ECLI:NL:CRVB:1999:AA8801, ECLI:NL:CRVB:2001:AB3144 en ECLI:NL:CRVB:2005:AU5156) waarin hij geen aanknopingspunten ziet die dit standpunt weerspreken.

3.3.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 19 augustus 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen. Het Uwv heeft zijn standpunt gehandhaafd dat appellant niet voldoet aan de referte-eis, maar heeft zich neergelegd bij het oordeel van de rechtbank dat bij appellant de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat een WW-uitkering zou worden toegekend. Aan appellant is daarom een buitenwettelijke
WW-uitkering verstrekt van 29 juni 2015 tot en met 24 november 2015, de datum van bestreden besluit 1, op basis van een dagloon van € 32,04.

3.4.

Appellant heeft in zijn zienswijze naar voren gebracht dat hij zich niet kan verenigen met bestreden besluit 2, omdat de in de brief van 28 september 2015 toegezegde WW-uitkering feitelijk alsnog met terugwerkende kracht is herzien/ingetrokken. In de brief van 28 september 2015 is immers meegedeeld dat de duur van de uitkering 22 maanden bedraagt. Voorts is het dagloon van € 32,04 onjuist.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bestreden besluit 2 wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

4.2.

Ingevolge artikel 17 van de WW ontstaat voor de werknemer recht op uitkering indien hij in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft.

4.3.

Ingevolge artikel 17a, tweede lid, van de WW worden voor de vaststelling van het in artikel 17 bedoelde aantal van 26 kalenderweken, arbeidsuren in een kalenderweek slechts in aanmerking genomen, voor zover deze betrekking hebben op de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen, en voor zover deze niet reeds eerder hebben geleid tot het ontstaan van een recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk of op grond van hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

4.4.

Appellant is door het eindigen van zijn dienstverband als vertaler/tolk bij [naam werkgever 1] werkloos geworden op 29 juni 2015 en heeft in verband daarmee een WW-uitkering aangevraagd. Ter beoordeling is in de eerste plaats of appellant heeft voldaan aan de referte-eis dat hij in de 36 kalenderweken voorafgaand aan 29 juni 2015, wat wil zeggen in de periode van 20 oktober 2014 tot 29 juni 2015, in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft gehad. Appellant heeft als vertaler/tolk bij [naam werkgever 1] in drie kalenderweken gewerkt, daaraan voorafgaand in 21 kalenderweken als keukenhulp bij [naam restaurant 2] en daarvoor in zes kalenderweken als algemeen medewerker bij [naam werkgever 1] . Tussen partijen is niet in geschil dat het dienstverband als vertaler/tolk in de plaats is gekomen van het dienstverband als algemeen medewerker bij [naam werkgever 1] . Het geschil betreft de vraag of het dienstverband als vertaler/tolk bij [naam werkgever 1] ook in de plaats is gekomen van het dienstverband als keukenhulp bij [naam restaurant 2] . In dat geval voldoet appellant aan de referte-eis.

4.5.

Het oordeel van de rechtbank dat het dienstverband als vertaler/tolk bij [naam werkgever 1] niet in de plaats is gekomen van het dienstverband als keukenhulp bij [naam restaurant 2] is in de eerste plaats gebaseerd op de duur van het dienstverband bij [naam werkgever 1] (drie weken) en het feit dat dit anderssoortig werk betrof dan het werk waar het grootste gedeelte van appellants arbeidsverleden uit had bestaan en ten tijde van het ontstaan van de werkloosheid nog bestond (horecawerk). De tekst van artikel 17a, tweede lid, van de WW, stelt echter geen eisen aan de duur en inhoud van de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan om in de plaats te komen van een of meer dienstbetrekkingen. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling biedt daarvoor geen aanknopingspunten (memorie van toelichting bij het oorspronkelijke artikel 17, derde lid, van de WW, dat identiek is aan artikel 17a, tweede lid, van de WW (Kamerstukken II 1985/86, 19 261, nr 3, blz. 48-50 en 133)). De rechtbank heeft voorts overwogen dat appellant voorafgaand aan het dienstverband als vertaler/tolk bij [naam werkgever 1] een dienstverband bij [naam werkgever 3] was begonnen waarin hij een vergelijkbaar aantal uren werkte als bij [naam restaurant 2] en heeft dat mee laten wegen bij haar oordeel dat het dienstverband bij [naam werkgever 3] als opvolgende dienstbetrekking moet worden aangemerkt voor het werk bij [naam restaurant 2] . Dit miskent dat bij de vraag of appellant aan de referte-eis heeft voldaan, het dienstverband als vertaler/tolk bij [naam werkgever 1] , waaruit de werkloosheid is ontstaan waarvoor hij een WW-uitkering heeft aangevraagd, uitgangspunt is en dat slechts beoordeeld moet worden of dit dienstverband in de plaats is gekomen van een of meer dienstbetrekkingen. Daaraan staat niet in de weg dat appellant naast dit dienstverband ook een dienstverband met [naam werkgever 3] had.

4.6.

Uit wat in 4.5 is overwogen volgt dat het dienstverband als vertaler/tolk bij [naam werkgever 1] ook in de plaats is gekomen van het dienstverband als keukenhulp bij [naam restaurant 2] . De in 3.2 genoemde uitspraken waarnaar het Uwv heeft verwezen gaan over andere situaties en leiden niet tot een ander oordeel. Appellant heeft daarom aan de referte-eis voldaan.

4.7.

Over het dagloon wordt het volgende overwogen. Nu de eerste werkloosheidsdag 29 juni 2015 is, is het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen van toepassing zoals dat gold tot

1 juli 2015 (Dagloonbesluit). Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Dagloonbesluit is het refertejaar voor de berekening van het dagloon de periode van een jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies is ingetreden. In het geval van appellant loopt het refertejaar van 1 mei 2014 tot en met 30 april 2015. In artikel 5 is bepaald hoe het dagloon moet worden berekend. Nu de dienstbetrekking waaruit appellant werkloos is geworden is aangevangen na afloop van het refertejaar, op 8 juni 2015, is artikel 5, vijfde lid, van het Dagloonbesluit van toepassing. Op grond hiervan wordt het loon dat appellant in de dienstbetrekking als vertaler/tolk bij [naam werkgever 1] na afloop van het refertejaar heeft verdiend gedeeld door het aantal dagloondagen in deze dienstbetrekking. Dit leidt, uitgaande van een loon van € 2.160,- en 15 dagloondagen, tot een dagloon van € 144,-.

4.8.

Uit wat in 4.2 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat appellant in aanmerking komt voor een WW-uitkering met ingang van 29 juni 2015, gebaseerd op een dagloon van € 144,-. Niet in geschil is dat de wettelijke maximale uitkeringsduur 22 maanden bedraagt, zoals is vermeld in de brief van het Uwv van 28 september 2015. Omwille van de duidelijkheid zullen de aangevallen uitspraak en de bestreden besluiten 1 en 2 worden vernietigd, de besluiten van

14 en 17 juli 2015 worden herroepen en zal appellant met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b van de Awb, zelf voorziend, in aanmerking worden gebracht voor een WW-uitkering.

4.9.

Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze bestaan uit de kosten van rechtsbijstand in bezwaar (€ 990,-), beroep (€ 990,-) en hoger beroep (€ 990,-), in totaal € 2.970,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- vernietigt de besluiten van 24 november 2015 en 19 augustus 2016;
- bepaalt dat appellant met ingang van 29 juni 2015 in aanmerking wordt gebracht voor een
uitkering op grond van de WW naar een dagloon van € 144,- met een maximale
uitkeringsduur van 22 maanden;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 2.970,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht in beroep € 46,- en hoger beroep

€ 124,-, in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2017.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) S.L. Alves

IJ