Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3695

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
26-10-2017
Zaaknummer
16/3841 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet nakomen inlichtingenverplichting. Boete. De verplichting is vervallen om een boete naar boven af te ronden op € 10,-. De opgelegde boete van € 290,- moet naar de mening van het Uwv worden verlaagd naar € 281,80. Een boete van deze omvang acht de Raad passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3841 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

25 april 2016, 16/537 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 25 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Rhodes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 17 mei 2017 vragen van de Raad beantwoord. Appellant heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2017. Namens appellant is mr. Rhodes verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft op 1 november 2011 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd nadat zijn dienstbetrekking met [naam werkgever 1] in verband met het faillissement van die werkgever was beëindigd met ingang van 12 september 2011. Appellant was daar werkzaam geweest voor 26,81 uur per week.

1.2.

Appellant was destijds ook in dienstbetrekking werkzaam bij [naam werkgever 2] ( [werkgever 2] ), voor 15 uur per week. Vanaf 12 september 2011 heeft appellant meer uren gewerkt bij [werkgever 2] . Het dienstverband met [werkgever 2] is beëindigd met ingang van 28 november 2011. Appellant heeft ter zake van deze werkloosheid geen WW-uitkering aangevraagd.

1.3.

Bij besluit van 20 december 2011, voor zover nu nog van belang, heeft het Uwv appellant met ingang van 12 september 2011 een WW-uitkering toegekend naar een gemiddeld arbeidsurenverlies van 26,81 per week. Bij besluit van 14 juni 2012 is appellant daarnaast met ingang van 1 januari 2012 een toeslag toegekend op grond van de Toeslagenwet (TW).

1.4.

Met ingang van 25 juni 2012 is appellant gaan werken voor [naam uitzendbureau] .

1.5.

Bij controle van de uitkeringen van appellant is het Uwv gebleken dat appellant in de periode van 12 september 2011 tot 28 november 2011 meer dan 15 uur per week bij [werkgever 2] heeft gewerkt zonder dat te melden aan het Uwv en dat hij ook de uren bij [naam uitzendbureau] niet heeft doorgegeven. Dit heeft geleid tot twee besluiten van 11 februari 2013, waarbij zowel de
WW-uitkering is herzien met ingang van 12 september 2011 en een bedrag aan onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 12 september 2011 tot en met
2 december 2012 is teruggevorderd van € 4.760,60 als een boete van € 550,- is opgelegd op grond van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting door appellant (boetebesluit). Deze besluiten zijn gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 20 juni 2013 (bestreden besluit 1).

1.6.

Bij uitspraak van 12 augustus 2015 heeft de rechtbank bestreden besluit 1 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 15 december 2015 (bestreden besluit 2) opnieuw beslist op het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 11 februari 2013. In bestreden besluit 2 is onder meer bepaald dat over de periode van 12 september 2011 tot en met 2 december 2012 een bedrag van € 5.815,46 onverschuldigd aan appellant is betaald, dat de terugvordering gehandhaafd blijft op het bedrag van € 4.760,60 en dat de boete wordt verlaagd naar € 290,-.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep, zoals ter zitting toegelicht, betoogd dat hij met ingang van 28 november 2011 volledig, niet verwijtbaar werkloos was en het Uwv daarom het
WW-recht per 28 november 2011 had moeten beoordelen, wat volgens hem tot een lagere terugvordering zou kunnen leiden.

3.2.

Het Uwv heeft in hoger beroep zijn standpunt nogmaals nader uiteengezet in de brief van 17 mei 2017.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor een weergave van het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar de overwegingen 11.1 tot en met 11.4 van de aangevallen uitspraak. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.

4.1.1.

In artikel 22, eerste lid, van de WW is bepaald dat het Uwv op aanvraag vaststelt of recht op uitkering bestaat.

4.1.2.

In artikel 27a, eerste lid, van de WW, zoals dit luidde tot 1 januari 2013, was bepaald dat het Uwv een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogste € 2.269,- ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting als bedoeld in artikel 25 van de WW.

4.1.3.

Op grond van artikel 27a, vijfde lid, worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. Deze nadere regels waren in de hier van belang zijnde periode vervat in het Boetebesluit sociale zekerheidswetten (Boetebesluit).

4.1.4.

In artikel 2, eerste en tweede lid van het Boetebesluit, zoals dit luidde tot 1 januari 2013, was bepaald dat de bestuurlijke boete wordt vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag en naar boven wordt afgerond op een veelvoud van € 10,-.

4.2.

Het geding in hoger beroep betreft uitsluitend de omvang van het WW-recht van appellant per 28 november 2011 en van de terugvordering. Dat appellant zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen en het Uwv daarom bevoegd was om de toegekende WW- en TW-uitkeringen met terugwerkende kracht te herzien en terug te vorderen, alsmede om een boete op te leggen is niet in geschil.

4.3.1.

Wat betreft het WW-recht van appellant heeft het Uwv in de loop van de procedure wisselende standpunten ingenomen. Partijen zijn het erover eens dat het in de brief van
17 mei 2017 verwoorde standpunt moet worden beoordeeld. Dat luidt als volgt:

- appellant is met ingang van 12 september 2011 niet werkloos geworden omdat toen ten gevolge van de uitbreiding van zijn werkzaamheden bij [werkgever 2] geen relevant arbeidsurenverlies is opgetreden;

- met ingang van 3 oktober 2011 is een WW-recht ontstaan naar een arbeidsurenverlies van zeven uur per week ten bedrage van € 65,75 per week;

- appellant is met ingang van 28 november 2011 verwijtbaar werkloos geworden en daarom moet per die datum de WW-uitkering blijvend geheel worden geweigerd;

- in de periode van 12 september 2011 tot 25 juni 2012 is aan WW-uitkering en toeslag op grond van de TW € 16.854,26 teveel aan appellant betaald;

- de terugvordering blijft € 5.815,46.

4.3.2.

Ter zitting is het in 4.3.1 weergegeven standpunt van het Uwv in zoverre aangepast, dat appellant zijn WW-recht van zeven uur met ingang van 3 oktober 2011 heeft behouden tot
25 juni 2012, de dag waarop hij bij [naam uitzendbureau] is gaan werken, dat wat betreft de terugvordering bedoeld is deze te handhaven op het in de eerdere besluiten genoemde bedrag van

€ 4.760,60 en dat verrekening van het doorlopende WW-recht van zeven uur niet tot een lager bedrag leidt.

4.4.1.

Appellant heeft betoogd dat het Uwv de op 28 november 2011 ingetreden werkloosheid ten onrechte als verwijtbare werkloosheid heeft aangemerkt en daarom ten onrechte ervan is uitgegaan dat een WW-uitkering ter zake van die werkloosheid blijvend geheel geweigerd moest worden. Om die reden is het terugvorderingsbedrag volgens hem onjuist berekend.

4.4.2.

Vast staat dat appellant ter zake van zijn op 28 november 2011 ingetreden werkloosheid geen aanvraag om een WW-uitkering heeft ingediend bij het Uwv. Gezien het bepaalde in artikel 22, eerste lid, van de WW was er voor het Uwv dan ook geen aanleiding om vast te stellen of voor appellant per die datum recht op een uitkering bestond. Dat betekent echter niet dat de in de brief van 17 mei 2017 gemaakte berekening van het bedrag dat onverschuldigd aan appellant is betaald onjuist is. In die berekening is immers geen rekening gehouden met een WW-recht met ingang van 28 november 2011. Verder staat vast dat het tot 25 juni 2012 doorlopende WW-recht van zeven uur geen zodanig verlagend effect heeft op het bedrag dat van appellant wordt teruggevorderd, dat geoordeeld moet worden dat het teruggevorderde bedrag van € 4.760,60 te hoog is vastgesteld.

4.5.

Appellant heeft tegen de boete geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Volstaan wordt daarom met de vaststelling dat, gelet op het feit dat per 1 januari 2017 de verplichting is vervallen om een boete naar boven af te ronden op € 10,- , de opgelegde boete van € 290,- naar de mening van het Uwv moet worden verlaagd naar € 281,80. Een boete van deze omvang acht de Raad passend en geboden.

4.6.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak en bestreden besluit 2 niet in stand kunnen blijven voor zover de boete is bepaald op € 290,-. Ook het boetebesluit van 11 februari 2013 kan niet in stand blijven en zal daarom worden herroepen. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en de boete vaststellen op € 281,80.

5. Het Uwv zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze worden in beide instanties begroot op € 990,- aan kosten van rechtsbijstand, wat een totaalbedrag oplevert van € 1.980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep tegen de boete ongegrond is verklaard;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 15 december 2015 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover het bezwaar tegen het boetebesluit van 11 februari 2013 ongegrond is verklaard;

  • -

    herroept het boetebesluit van 11 februari 2013;

  • -

    stelt het bedrag van de boete vast op € 281,80 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 15 december 2015;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.980,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en A. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2017.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) S.L. Alves

AB