Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3689

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
26-10-2017
Zaaknummer
16/50 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-vervolguitkering op grond van de WIA. Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de beperkingen van appellant. De geduide functies passen binnen de belastbaarheid van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/50 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

14 december 2015, 15/6754 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 25 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.M. van Dijk-Opstal hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B.M.M. Slaman. Het Uwv heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als leidinggevende voor 38 uur per week. Op 24 december 2012 heeft hij zich, vanuit een situatie waarin hij een op grond van de Werkloosheidswet (WW) een uitkering ontving, ziek gemeld met lichamelijke klachten.

1.2.

Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 28 november 2014 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 22 december 2014 recht is ontstaan op een WGA-vervolguitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op 41,79%. Het tegen het besluit van 28 november 2014 gemaakte bezwaar is bij besluit van 31 augustus 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek naar de beperkingen van appellant onzorgvuldig is verricht of dat de beperkingen van appellant niet juist zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 oktober 2014. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de geduide functies passen binnen de belastbaarheid van appellant.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in grote lijnen een herhaling van wat hij bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft uitvoerig gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad sluit zich daarbij aan. In hoger beroep heeft appellant geen (medische) stukken ingediend die zijn standpunt, dat hij op de datum in geding meer beperkt is, ondersteunen. In dit verband wordt opgemerkt dat appellant tijdens het onderzoek van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) met name knie- en schouderklachten als reden voor zijn arbeidsongeschiktheid heeft opgegeven. De in beroep en hoger beroep ingebrachte medische informatie ziet op een situatie van na de datum in geding en hebben voor een deel betrekking op andersoortige klachten.

4.2.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit wordt geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de geselecteerde functies in medisch opzicht of anderszins ongeschikt zijn voor appellant. De arbeidsdeskundige heeft de signaleringen die op het resultaat functiebeoordeling zijn weergegeven voorzien van een toelichting. Op basis daarvan is aannemelijk dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. Ook is niet aannemelijk dat appellant wegens zijn gestelde onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal niet in staat is de vereiste interne opleiding in de functie van productiemedewerker industrie te kunnen volgen. Artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 bepaalt – voor zover hier van belang – dat bij de bepaling van wat betrokkene nog met arbeid kan verdienen in aanmerking wordt genomen de algemeen geaccepteerde arbeid waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen, waaronder mede wordt begrepen arbeid waarvoor bekwaamheden nodig zijn die algemeen gebruikelijk zijn en binnen zes maanden kunnen worden verworven, tenzij betrokkene niet over dergelijke bekwaamheden beschikt en als gevolg van ziekte of gebrek dergelijke bekwaamheden niet kan verwerven. Onder deze bekwaamheden wordt ten minste verstaan de mondelinge beheersing van de Nederlandse taal. Niet aannemelijk is dat bij appellante sprake is van uit ziekte of gebrek voortkomende beletselen om de Nederlandse taal te leren.

4.3.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2017.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) L.H.J. van Haarlem

AB