Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3678

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
30-10-2017
Zaaknummer
16/1431 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstand is ten onrechte mede-teruggevorderd. Onvoldoende grondslag voor gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf niet in de woning van vermeende partner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1431 PW

Datum uitspraak: 24 oktober 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 januari 2016, 15/3256 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.B. van Schendel, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Schendel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

C. van den Bergh en J. Henderik.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

[Naam C] (C) ontving sinds 27 november 2008 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. C stond samen met haar minderjarige zoon ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaatsnaam] (uitkeringsadres). Appellant was zonder vaste woon- of verblijfplaats en had een briefadres bij zijn ouders op het adres [adres 2] te [woonplaats] .

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding, dat al een paar jaar een man bij C inwoont, heeft de sociale recherche van de gemeente Utrecht een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan C verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, over meerdere periodes waarnemingen bij het uitkeringsadres verricht, de verkeersgegevens van het mobiele telefoonnummer van appellant opgevraagd en geanalyseerd, informatie bij de werkgever van appellant opgevraagd, informatie bij Ziggo opgevraagd, de waterverbruikgegevens van het uitkeringsadres bij Vitens opgevraagd, twee buurtbewoners gehoord en C en appellant afzonderlijk gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 december 2014 en een proces-verbaal van 3 februari 2015.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 14 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 mei 2015, de bijstand van C over de periode van 6 mei 2011 tot en met 27 oktober 2014 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 62.977,76 van C terug te vorderen. C heeft tegen het besluit van 13 mei 2015 geen beroep ingesteld.

1.4.

Bij besluit van 15 januari 2015, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 mei 2015 (bestreden besluit), heeft het college met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de PW het in 1.3 vermelde bedrag mede van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat C en appellant in deze periode een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat hij en C een gezamenlijke huishouding voerden in de woning van C.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De besluiten tot intrekking, terugvordering en medeterugvordering van bijstand zijn voor de betrokkene belastend besluiten, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.

De hier te beoordelen periode loopt van 6 mei 2011 tot en met 27 oktober 2014, de periode waarover de kosten van bijstand mede van appellant zijn teruggevorderd.

4.3.

Artikel 59, tweede lid, van de PW bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de PW niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat appellant hier die persoon is, is vereist dat hij in de te beoordelen periode met C een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 van de PW op het uitkeringsadres heeft gevoerd.

4.4.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de PW is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.5.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.6.

De bevindingen van het onderzoek, zoals neergelegd in het rapport van 4 december 2015 en het proces-verbaal van 3 februari 2015, bieden, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had in de woning van C op het uitkeringsadres. Anders dan het college heeft gesteld, kan uit de verklaring die C op 27 november 2014 tegenover de sociaal rechercheurs heeft afgelegd en die zij heeft ondertekend, niet worden afgeleid dat appellant vanaf 6 mei 2011 bij C zijn hoofdverblijf had. C heeft tijdens dit gehoor consequent verklaard dat appellant twee of drie dagen per week bij haar sliep. Het college heeft in het bijzonder gewezen op de in de verklaring opgenomen zin “Ik begrijp dat vanaf het moment dat [appellant] bij mij kwam wonen ik geen alleenstaande ouder meer was.”, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat - zoals het college lijkt te stellen - C toegaf dat appellant de hele week bij haar verbleef. Daarbij is van belang dat niet duidelijk is op welke uitleg van de sociaal rechercheurs dit antwoord is gevolgd en deze interpretatie van de feitelijke situatie niet overeenkomt met wat zij daarvoor over de frequentie van het verblijf heeft verklaard. Voorts vindt het standpunt van het college dat deze passage duidt op een omslagpunt in de verklaring geen steun in wat in het vervolg van de verklaring nog naar voren is gekomen. Evenmin kan uit de passage in de verklaring “Het zal twee of drie jaar geleden zijn geweest dat [appellant] bij mij kwam. Ik denk vanaf mei 2011.” worden afgeleid dat appellant vanaf 6 mei 2011 zijn hoofdverblijf in de woning van C op het uitkeringsadres had. Zo heeft C verklaard dat als appellant bij haar kwam, dit in het weekend en soms in de week op woensdag was. Dat appellant bij C kwam, is niet voldoende voor de conclusie dat hij daar ook zijn hoofdverblijf had.

4.7.

Het voorgaande wordt niet anders als alle onderzoeksbevindingen tezamen, in samenhang met de verklaring van C, worden bezien. Uit het bij het proces-verbaal van 3 februari 2015 gevoegde rapport van waarnemingen ter plaatse, welke voor zover nu van belang zijn gedaan bij het uitkeringsadres in de perioden van 10 juni tot en met 23 juli 2014 en van 29 juli tot en met 12 augustus 2014, blijkt weliswaar dat de brommer van appellant veelvuldig is aangetroffen bij de woning van C, maar niet op iedere waarnemingsdag. Appellant zelf is slechts een enkele maal gezien. Hieruit kan niet worden afgeleid dat appellant het grootste deel van de week verbleef op het uitkeringsadres. De historische verkeersgegevens van het mobiele telefoonnummer van appellant over de periode 1 maart 2014 tot en met 30 augustus 2014 bieden evenmin aanknopingspunten voor deze conclusie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat appellant werkte als taxichauffeur in [plaatsnaam] en dat de woning van C dicht bij het centrum van [plaatsnaam] lag, zodat niet onaannemelijk is dat appellant tijdens zijn werkzaamheden in de buurt van het uitkeringsadres kwam en een zendmast in de directe omgeving aanstraalde. Uit de waterverbruikgegevens van het uitkeringsadres kan niets worden afgeleid over het verblijf van appellant. Aan het feit dat appellant bij Ziggo op het uitkeringsadres een Telefonie- en Internetabonnement had afgesloten en betaalde, komt geen doorslaggevende betekenis toe voor zijn feitelijk verblijf. Ten slotte kunnen de verklaringen van twee buurtbewoners evenmin als bewijs voor het standpunt van het college dienen. Buurtbewoner [naam buurtbewoner] , wonende op het adres [adres 3] te [plaatsnaam] , heeft verklaard dat zij niet de indruk had dat appellant bij C woonde, maar dat hij er wel af en toe is. De verklaring van [naam buurtbewoner] betreft dus een ontlastende verklaring. De andere getuigenverklaring is anoniem afgelegd. Een dergelijke verklaring is niet verifieerbaar.

4.8.

Uit 4.6 en 4.7 volgt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf in de woning van C op het uitkeringsadres had. Aan de vraag of over die periode sprake was van wederzijdse zorg als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de PW, komt de Raad gelet daarop niet toe.

4.9.

Uit 4.8 volgt dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke feitelijke grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Gelet hierop behoeven de overige gronden geen bespreking. Het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Tevens wordt aanleiding gezien het besluit van 15 januari 2015 te herroepen. Dit besluit berust op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag en het college heeft ter zitting verklaard geen mogelijkheid tot nader onderzoek te zien, zodat het niet aannemelijk is dat het aan het besluit klevende gebrek nog kan worden hersteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in bezwaar, € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 2.970,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 19 mei 2015;

- herroept het besluit van 15 januari 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het vernietigde besluit van 19 mei 2015;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.970,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en M. Hillen en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2017.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) J. Tuit

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD