Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3677

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
30-10-2017
Zaaknummer
16/1780 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de met gokken gewonnen bedragen zijn de kosten voor levensonderhoud betaald. De bijstand is terecht ingetrokken omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 1780 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

16 maart 2016, 15/3744 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

Datum uitspraak: 24 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Raaijmakers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op 31 juli 2017 aanvullende gronden van het hoger beroep ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2017. Appellant is, alhoewel daartoe opgeroepen, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 4 augustus 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op 27 oktober 2014 heeft het college een anonieme melding ontvangen dat appellant zijn woning onderverhuurt en zelf woont en werkt in Engeland. Naar aanleiding van deze melding hebben twee handhavingsspecialisten van de gemeente Haarlemmermeer een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader hebben de handhavingsspecialisten onder meer dossieronderzoek gedaan, afschriften van de bankrekeningen op naam van appellant opgevraagd en geanalyseerd en appellant op 31 maart 2015 gehoord. Bij bestudering van de bankafschriften is onder andere gebleken dat regelmatig pintransacties worden verricht in casino’s. Op de bankafschriften zijn nagenoeg geen afschrijvingen te zien voor boodschappen. Op 31 maart 2015 heeft appellant hierover verklaard dat hij al ongeveer zeven jaar regelmatig casino’s bezoekt, hij gokt met het bedrag dat hij maandelijks overhoudt na betaling van zijn vaste lasten en de winst in het casino contant wordt uitbetaald. Deze winst stort hij niet terug op zijn bankrekening, maar gebruikt hij om bijvoorbeeld boodschappen van te betalen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 19 mei 2015.

1.2.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

21 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 augustus 2015 (bestreden besluit), de bijstand van appellant over de periode van 4 augustus 2013 tot en met 31 maart 2015 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 27.459,03 van appellant terug te vorderen. Het college heeft, voor zover hier van belang, aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant inkomsten uit gokken heeft ontvangen. Deze inkomsten heeft appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet gemeld aan het college. Omdat appellant geen administratie heeft bijgehouden van deze inkomsten, kan het college het recht op bijstand met ingang van 4 augustus 2013 niet vaststellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het door appellant op 31 juli 2017 ingezonden aanvullend hoger beroepschrift zal de Raad buiten beschouwing laten, omdat de hierin opgenomen gronden in strijd met de goede procesorde te laat zijn aangevoerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellant deze gronden in een eerder stadium naar voren had kunnen brengen.

4.2.

De in geding zijnde periode loopt van 4 augustus 2013 tot en met 31 maart 2015.

4.3.

Uit de in 1.1 verwoorde verklaring van appellant van 31 maart 2015 blijkt dat appellant in de in geding zijnde periode regelmatig casino’s bezocht en dat hij met gokken bedragen heeft gewonnen die contant aan hem zijn uitbetaald. Appellant heeft de door hem gewonnen bedragen aangewend voor zijn levensonderhoud. Op zijn bankafschriften zijn nagenoeg geen afschrijvingen te zien voor boodschappen. Dat duidt op regelmatige inkomsten die appellant had moeten melden. Appellant heeft, door van deze gewonnen bedragen geen melding te maken aan het college, de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.

4.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode wel recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.5.

Appellant is daarin niet geslaagd. Hij heeft niet inzichtelijk gemaakt welke bedragen hij wanneer heeft gewonnen. Appellant heeft wel gesteld dat hij met gokken meer verlies heeft geleden dan dat hij winst heeft gemaakt, maar hij heeft die stelling - daargelaten welke gevolgen daaraan zouden moeten worden verbonden - niet onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens, bijvoorbeeld in de vorm van een deugdelijke administratie. Het college en de rechtbank hebben gelet daarop met juistheid geconcludeerd dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de gehele te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en M. Hillen en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2017.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) J. Tuit

HD