Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3675

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
30-10-2017
Zaaknummer
16/2468 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toereikende grondslag voor gezamenlijk hoofdverblijf zodat gezamenlijke huishouding niet aannemelijk is gemaakt. De verklaringen van de buurtbewoners , het mede-ondertekenen van het huurcontract en het waterverbruik is onvoldoende bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2468 WWB, 16/2469 WWB, 16/2593 WWB, 17/2857 PW

Datum uitspraak: 10 oktober 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 april 2016, 15/2398, 15/2624 en 15/5537 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats 1] (appellante) en [appellant] te [woonplaats 2] (appellant)

het dagelijks bestuur van Werkzaak Rivierenland, als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding op 1 januari 2016 van de gemeenschappelijke regeling Werkzaak Rivierenland (hierna: de Regeling) oefent het dagelijks bestuur van het bij de Regeling ingestelde openbaar lichaam “Werkzaak Rivierenland” de bevoegdheden in het kader van de Participatiewet uit, die voorheen werden uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Maas en Waal, met uitzondering van de bijzondere bijstand. Onder het dagelijks bestuur wordt hierna, voor zover van toepassing, tevens het college begrepen.

Namens appellante heeft mr. R. Gijsen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Namens appellant heeft mr. J. Velthoven, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft verweerschriften en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft in deze zaken gevoegd plaatsgevonden op 29 augustus 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Velthoven en appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gijsen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.B.G. Hofstee en M. Haverkort.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 15 september 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellant ontving vanaf 2 oktober 2013 aanvullende bijstand op grond van de WWB naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante heeft vier kinderen, waarvan de jongste dochter (dochter) in 2008 is geboren uit de relatie met appellant. Appellante stond tot 31 maart 2013 ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats 1] . Vanaf 2 april 2013 stond appellante ingeschreven op het adres [adres 2] te [woonplaats 1] (adres van appellante).

1.2.

Appellant huurde vanaf 1 februari 2013 een woning op het adres [ades 3] te [plaatsnaam] (woning te [plaatsnaam] ). Vanaf 21 juni 2013 stond hij op dit adres ingeschreven. Vanaf 2 oktober 2013 stond ook de dochter op dit adres ingeschreven. Vanaf 2 januari 2014 stonden appellant en de dochter ingeschreven op het adres [adres 4] te [woonplaats 1] .

1.3.

De medewerkers van de Afdeling Werk, Inkomen en Zorg hebben op 29 oktober 2013 aan de woning te [plaatsnaam] een huisbezoek afgelegd. Daarbij is naast appellant ook appellante aangetroffen. Naar aanleiding hiervan heeft de sociale recherche van de Regio Rivierenland een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche, onder meer en voor zover hier van belang, dossieronderzoek gedaan, bij waterbedrijf Vitens verbruiksgegevens van de woning te [plaatsnaam] opgevraagd, appellanten verhoord, twee buurtbewoners van de omgeving van de woning te [plaatsnaam] gehoord, de eigenaar van de woning te [plaatsnaam] gehoord, het huurcontract met betrekking tot die woning opgevraagd bij de makelaar die deze woning verhuurde en deze makelaar, alsmede de eigenaar van die woning, gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 26 mei 2014.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 12 juni 2014 (primair besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 maart 2015 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante met ingang van 1 februari 2013 in te trekken. Verder heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 12 juni 2014 (primair besluit 2), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 maart 2015 (bestreden besluit 2), de bijstand van appellant met ingang van 2 oktober 2013 ingetrokken. Aan beide bestreden besluiten heeft het dagelijks bestuur het volgende ten grondslag gelegd. Uit de relatie van appellanten is een kind geboren. Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt in dat geval een gezamenlijke huishouding aanwezig geacht indien appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. Uit onderzoek van de sociale recherche is gebleken dat appellanten vanaf 1 februari 2013 gezamenlijk hoofdverblijf hadden, eerst op het adres van de woning te [plaatsnaam] en aansluitend op het adres van appellante. Gelet hierop worden appellanten als gehuwd aangemerkt en hadden zij ieder afzonderlijk geen recht op bijstand als alleenstaande ouder.

1.5.

Bij besluit van 16 december 2014 heeft het dagelijks bestuur de over de periode van 1 februari 2013 tot en met 30 april 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 19.857,81 van appellante teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

1.6.

Bij afzonderlijk besluit van 16 december 2014 (primair besluit 3), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 juli 2015 (bestreden besluit 3), heeft het dagelijks bestuur de over de periode van 2 oktober 2013 tot en met 31 maart 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.144,88 van appellant teruggevorderd. Verder heeft het dagelijks bestuur de over de periode van 1 februari 2013 tot en met 30 april 2014 gemaakte kosten van bijstand aan appellante tot een bedrag van € 19.857,81 mede van appellant teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor wat betreft de intrekking van de bijstand vanaf 15 december 2013 en besluit 1 in zoverre herroepen. Verder heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor wat betreft de intrekking van de bijstand vanaf 15 december 2013 en besluit 2 in zoverre herroepen. Ten slotte heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 3 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat het dagelijks bestuur binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar tegen besluit 3 dient te nemen. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat het dagelijks bestuur ter zitting heeft verklaard dat onvoldoende grondslag bestaat voor de intrekkingen en terugvorderingen vanaf 15 december 2013, zodat de intrekkingen en terugvorderingen per die datum niet in stand kunnen blijven. Het geschil ziet daarmee enkel op de vraag of in de periode van 1 februari 2013 tot en met 14 december 2013 sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf van appellanten in de woning te [plaatsnaam] . De rechtbank acht, gelet op de onderzoeksresultaten, een gezamenlijk hoofdverblijf op dit adres door het dagelijks bestuur aannemelijk gemaakt.

3. In hun hoger beroepen hebben appellanten zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de intrekking van de aan appellante verleende bijstand over de periode van 1 februari 2013 tot en met

14 december 2013 kan worden gehandhaafd en de intrekking van de aan appellant verleende bijstand over de periode van 1 oktober 2013 tot en met 14 december 2013 kan worden gehandhaafd.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 23 mei 2016 (nader besluit) het bezwaar tegen besluit 3 voor zover gericht tegen de terugvordering over de periode van 15 december 2013 tot en met 31 maart 2014 gegrond verklaard. Voor de periode van 1 februari 2013 tot en met 14 december 2013 heeft het dagelijks bestuur de terugvordering en medeterugvordering van appellant gehandhaafd. Het totale terug te vorderen bedrag heeft het dagelijks bestuur vastgesteld op bruto € 14.349,29. Verder heeft het dagelijks bestuur bij een ander besluit van 23 mei 2016 (ander besluit) het besluit van 16 december 2014, waarbij een bedrag van € 19.857,81 van appellante is teruggevorderd, ambtshalve herzien en het terugvorderingsbedrag vastgesteld op bruto € [nummer B] .916,26. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het nader besluit wordt op grond van het bepaalde in de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling betrokken. Het andere besluit valt buiten de omvang van dit geding.

5.2.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellanten in de periode van 1 februari 2013 tot en met 14 december 2013 (te beoordelen periode) een gezamenlijke huishouding voerden in de woning te [plaatsnaam] .

5.3.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkenen belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat is voldaan aan de voorwaarden voor intrekking, in dit geval het voeren van een gezamenlijke huishouding in de woning van appellant te [plaatsnaam] , in beginsel op het dagelijks bestuur rust.

5.4.

Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

5.5.

Vaststaat dat de dochter op [geboortedatum] 2008 is geboren. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van het onder 5.4 bedoelde rechtsvermoeden, omdat de dochter al ver vóór de te beoordelen periode is geboren. Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan appellante heeft betoogd, is bij de beoordeling of is voldaan aan artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB niet van belang of het kind is geboren vóór de aanvang van de te beoordelen periode en of in de tussenliggende periode al dan niet een relatie tussen betrokkenen bestond. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 februari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC5391) is het begrip relatie, bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB, door de wetgever bedoeld als een verhouding tussen belanghebbenden, waaraan geen nadere eisen worden gesteld. De aard van de relatie is dan ook niet van belang voor de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden voor bedoeld rechtsvermoeden. Evenmin van belang is of het kind (ver) voorafgaand aan het, aan de besluitvorming ten grondslag liggende, gezamenlijk hoofdverblijf is geboren, wat de leeftijd van het kind ten tijde in geding was en of ten aanzien van het kind nog een verzorgingsplicht bestaat. De Raad verwijst hiervoor naar zijn uitspraak van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1007.

5.6.

Uit 5.4 en 5.5 volgt dat voor de beantwoording van de vraag of appellanten in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de zin van de WWB uitsluitend nog van belang is of appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Meer in het bijzonder ligt hier de vraag voor of appellante haar hoofdverblijf had in de woning te [plaatsnaam] .

5.7.

Appellanten hebben aangevoerd dat appellante niet haar hoofdverblijf in die woning heeft gehad. Deze beroepsgrond slaagt.

5.7.1.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bieden de onderzoeksbevindingen geen toereikende feitelijke grondslag voor het standpunt van het dagelijks bestuur dat appellante in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf had in de woning te [plaatsnaam] . Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.7.2.

Het bestreden besluit is voor wat betreft de te beoordelen periode gebaseerd op de verklaringen van twee buurtbewoners, woonachtig in dezelfde straat van de woning te [plaatsnaam] , het feit dat appellante het huurcontract van de woning te [plaatsnaam] mede heeft ondertekend, de verklaring van de makelaar over de ondertekening van het huurcontract en het waterverbruik in de woning te [plaatsnaam] .

5.7.3.

De twee buurtbewoners hebben ieder afzonderlijk verklaard dat appellanten met hun kinderen vanaf april 2013 tot en met december 2013 in de woning te [plaatsnaam] woonden. Uit hun verklaringen blijkt echter niet waarop de buurtbewoners hun conclusies hebben gebaseerd. De verklaring van de bewoner van nummer [nummer A] , dat hij 100% zeker weet dat in de maanden dat appellant in de woning te [plaatsnaam] woonde, appellante en haar dochters daar ook woonden en dat hij ze gewoon kon zien en ze ook regelmatig sprak, is niet voldoende concreet en specifiek om te leiden tot de conclusie dat zij daar haar hoofdverblijf had. Ook zijn verklaring dat appellante een grijze Opel Kadett had die er veel stond, is hiertoe niet toereikend. Uit de verklaring blijkt voorts niet wanneer en hoe vaak de buurtbewoner appellante heeft gezien en in die zin is de verklaring hiertoe niet voldoende concreet. Appellante heeft aangevoerd dat zij, zoals zij tegenover de sociaal rechercheur heeft verklaard, regelmatig in de woning van appellant was en daar ook wel overnachtte, zodat aannemelijk is dat de buurtbewoner haar regelmatig heeft gezien en ook haar auto heeft gezien. Dit betekent echter niet dat zij daar haar hoofdverblijf had. Ook is van betekenis dat de dochter vanaf 2 oktober 2013 stond ingeschreven op het adres van haar vader en ook in [plaatsnaam] naar school ging, wat past binnen de verklaring van appellante dat zij regelmatig daar is en de waarneming verklaart dat zij in gezelschap van de dochter bij de woning te [plaatsnaam] is gezien. Mede in het licht van deze omstandigheden, is ook de verklaring van de bewoonster van nummer [nummer B] te weinig concreet en specifiek om conclusies aan te verbinden met betrekking tot het hoofdverblijf van appellante. Uit de enkele verklaring dat zij appellanten altijd als gezin heeft gezien wordt voorts niet duidelijk op welke feiten en omstandigheden die overtuiging is gebaseerd. Hoewel voormelde verklaringen een indicatie geven van de indruk die appellanten op buurtgenoten hebben gemaakt, bieden zij geen toereikende onderbouwing van het standpunt van het dagelijks bestuur.

5.7.4.

Ook de omstandigheden waaronder het huurcontract voor de woning te [plaatsnaam] is getekend bieden zodanige grondslag niet. Niet in geschil is dat appellante op 17 januari 2013 het huurcontract voor de woning te [plaatsnaam] heeft medeondertekend als echtgenote of partner van appellant. De makelaar die verantwoordelijk was voor de verhuur van de woning heeft op 23 april 2014 verklaard dat appellanten zich bij de bezichtiging van de woning in januari 2013 hebben gepresenteerd als gezin en dat zij daar ook als gezin zouden gaan wonen. Uit de medeondertekening van het huurcontract, noch uit de presentatie aan de makelaar kan echter worden afgeleid dat appellante in de te beoordelen periode daadwerkelijk haar hoofdverblijf in de woning te [plaatsnaam] had. Van belang hierbij is dat de ondertekening van het huurcontract en de verklaring van de makelaar zien op een periode voorafgaand aan de te beoordelen periode. Hierbij is voorts van betekenis de, door het dagelijks bestuur niet weersproken, verklaring van appellanten dat appellante de huurovereenkomst moest medeondertekenen omdat appellant de woning anders niet kon huren.

5.7.5.

Ook het waterverbruik in de woning te [plaatsnaam] biedt op zichzelf onvoldoende steun voor de conclusie van het dagelijks bestuur dat appellante in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf in de woning te [plaatsnaam] had. Zoals niet in geschil is, was dat waterverbruik met 191m³ over de periode 2 februari 2013 tot en met 20 december 2013 veel hoger dan gebruikelijk voor een alleenstaande. Uit het waterverbruik als zodanig kan echter niets worden afgeleid over het hoofdverblijf van appellante in de woning. Uit het verbruik kan immers niet worden afgeleid wie de verbruikers is. Van betekenis is verder dat, zoals niet in geschil is, in de te beoordelen periode appellante en haar dochters regelmatig in de woning van appellant hebben verbleven, dat ook de twee zoons van appellant regelmatig bij appellant hebben verbleven en dat appellant in de zomer van 2013 het nieuw ingezaaide gazon bij de woning veelvuldig heeft besproeid. Niet onaannemelijk is dat het waterverbruik door deze factoren tezamen hoger was dan gebruikelijk is voor een alleenstaande.

5.8.

Met de hiervoor besproken onderzoeksbevindingen, ook wanneer deze in onderlinge samenhang worden beschouwd, heeft het dagelijks bestuur niet aannemelijk gemaakt dat appellante in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf had in de woning te [plaatsnaam] . Dit klemt te meer gelet op het volgende. Medewerkers van de Afdeling Werk, Inkomen en Zorg hebben op 29 oktober 2013 een huisbezoek afgelegd in de woning te [plaatsnaam] . Van dit huisbezoek is, om niet verklaarde reden, geen verslag opgemaakt, doch appellant heeft onweersproken gesteld dat de medewerkers de hele woning hebben bekeken en niets hebben aangetroffen dat duidde op een hoofdverblijf van appellante in de woning. Ten onrechte heeft het dagelijks bestuur aan dit huisbezoek en de omstandigheid dat daarover niet gerapporteerd is, geen betekenis toegekend.

5.9.

Uit 5.3 tot en met 5.8 volgt dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen toereikende grondslag bestaat voor de intrekking van de bijstand van appellanten over de periode van 1 februari 2013 tot en met 14 december 2013 en de daarmee samenhangende terugvorderingen. De bestreden besluiten komen, voor zover door de rechtbank in stand gelaten, voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad zal de aangevallen uitspraak dan ook vernietigen voor zover aangevochten, met uitzondering van de veroordeling van het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellanten en de vergoeding van het door appellanten betaalde griffierecht. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de bestreden besluiten wegens strijd met de artikelen 3:2

en 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. Verder zal de Raad het beroep tegen het nader besluit gegrond verklaren en dit besluit eveneens vernietigen.

5.10.

Vervolgens moet worden bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven. Het dagelijks bestuur heeft desgevraagd ter zitting verklaard geen mogelijkheid voor nader onderzoek te zien. Gelet hierop zal de Raad zelf in de zaak voorzien en de primaire besluiten herroepen.

6. Aanleiding bestaat het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten worden voor appellante begroot op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en voor appellant op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en € 28,80 voor reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- vernietigt de besluiten van 31 maart 2015 en het besluit van 28 juli 2015 voor zover door de

rechtbank bij de aangevallen uitspraak in stand gelaten;

- herroept de besluiten van 12 juni 2014 en het besluit van 16 december 2014 en bepaalt dat

deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van 31 maart 2015 en het

besluit van 28 juli 2015;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 mei 2016 gegrond en vernietigt dit besluit;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellante tot een bedrag van € 990,-;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.018,80;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,-

vergoedt;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 124,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en F. Hoogendijk en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) S.A. de Graaff

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD