Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3674

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
30-10-2017
Zaaknummer
17/5627 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening in verband met afgewezen aanvraag. Schending inlichtingenverplichting in verband met waargenomen werkzaamheden in restaurant. Het recht op bijstand is niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/5627 PW, 17/5686 PW-VV

Datum uitspraak: 4 oktober 2017

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 juli 2017, 17/1285 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van

16 augustus 2017

Partijen:

[verzoeker] (verzoeker) en [verzoekster] (verzoekster) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Geldrop (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekers heeft mr. M. Yigitdol, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2017. Namens verzoekers is verschenen mr. Yigitdol. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Slegers.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoekers hebben eerder van 23 maart 2016 tot 31 mei 2016 aanvullende bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) ontvangen. Het college heeft bijstand met ingang van

1 juni 2016 ingetrokken omdat uit waarnemingen was gebleken dat verzoeker onjuiste inlichtingen had verstrekt over de door hem gewerkte uren als oproepkracht werkzaam bij restaurant [restaurant] , [adres] (restaurant). Verzoekers hebben vervolgens op 17 augustus 2016 een aanvraag om (aanvullende) bijstand ingediend. Op het aanvraagformulier hebben verzoekers vermeld dat zij beiden over inkomsten uit arbeid beschikken. Verzoeker is sinds 1 juni 2016 (weer) werkzaam als oproepkracht bij het restaurant en verzoekster is sinds 1 augustus 2011 als interieurverzorgster parttime werkzaam voor [BV] . Verzoekers hebben ten behoeve van de aanvraag van bijstand onder meer loonstroken van verzoeker van de maanden juni, juli en september 2016 overgelegd en bij e-mail van 5 oktober 2016 opgave gedaan van de dagen en tijdstippen waarop verzoeker in de maand september 2016 heeft gewerkt.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag hebben twee preventiemedewerkers van de gemeente Geldrop-Mierlo onderzoek verricht naar mogelijke inkomsten uit zwart werk. In dit kader is onder meer dossieronderzoek gedaan en heeft een preventiemedewerker (preventiemedewerker) in de periode van 22 september 2016 tot en met 12 oktober 2016 heimelijke waarnemingen verricht. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 1 november 2016.

1.3.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 3 november 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 maart 2017 (bestreden besluit), de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoekers de op hun rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door de in september 2016 gewerkte uren van verzoeker niet correct door te geven, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Verzoeker is immers op 22 september 2016 werkend aangetroffen, terwijl hij volgens zijn opgave die dag niet gewerkt had.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Verzoekers hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op het bepaalde in artikelen 8:81, 8:86 en 8:108, eerste lid, van de Awb kan, als hoger beroep is ingesteld bij de Raad, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist en kan hij na de zitting onmiddellijk uitspraak doen in de bodemzaak, indien naar zijn oordeel nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van die zaak. Verzoekers hebben, gelet op hun uiteengezette financiële positie, een spoedeisend belang bij hun verzoek. Nu nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, wordt daarin ook onmiddellijk uitspraak gedaan.

Afwijzing aanvraag

4.2.

De te beoordelen periode loopt van 17 augustus 2016 tot en met 3 november 2016.

4.3.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de PW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.4.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven over onder meer zijn inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag, omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker bij e-mail van 5 oktober 2016 de dagen en tijdstippen die hij in de maand september 2016 heeft gewerkt als volgt heeft opgegeven:

“20-09-2016 van 15 uur tot 17 uur. 23-09-2016 van 15 uur tot 17 uur. 25-09-2016 van 16 tot 18 uur. 28-09-2016 van 17 uur tot 19 uur 30-09-2016 van 17 uur tot 19 uur”.

Vaststaat dat volgens deze opgave verzoeker op 22 september 2016 niet heeft gewerkt.

4.6.

Verzoekers hebben aangevoerd dat verzoeker op 22 september 2016 niet in het restaurant was. Deze beroepsgrond faalt. De verder niet onderbouwde ontkenning door verzoekers vormt geen grond om te twijfelen aan de waarneming op 22 september 2016 van de preventiemedewerker zoals opgenomen in diens rapport van 1 november 2016. Blijkens deze waarneming heeft de preventiemedewerker om 14.29 uur gezien dat verzoeker op de hoek van de straat bij het [lokatie] staat te wachten, dat een [automerk] komt aangereden met kenteken [kenteken] en dat verzoeker in de [automerk] stapt en richting [gemeente] rijdt. Om 17.47 uur heeft de preventiemedewerker gezien dat verzoeker, gekleed in een rood shirtje, zit te eten op het terras van het restaurant (met aanduiding van adres) en dat de eerder gesignaleerde [automerk] voor het restaurant geparkeerd staat. Om 17.54 uur heeft de preventiemedewerker tot slot gezien dat verzoeker naar binnen gaat bij het restaurant en achter de toonbank gaat staan en dat er nog drie andere personen achter de toonbank staan. Van belang daarbij is dat blijkens de gedingstukken de preventiemedewerker heeft verklaard verzoeker beroepshalve te hebben herkend omdat zij elkaar eerder hebben ontmoet en gesproken. Daarnaast biedt de waarneming voldoende aanknopingspunten voor een gemotiveerde onderbouwing van de betwisting door verzoekers dat verzoeker op

22 september 2016 niet in het restaurant was. Nu die onderbouwing is uitgebleven heeft het college aannemelijk gemaakt dat verzoekers hun inlichtingenverplichting niet zijn nagekomen.

4.7.

Verzoekers hebben betoogd dat de afwijzing van de aanvraag berust op onzorgvuldig onderzoek omdat het college ten onrechte heeft nagelaten verzoekers te confronteren met de waarneming van 22 september 2016. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Uit artikel 4:12, eerste lid, van de Awb volgt dat het college verzoekers niet in de gelegenheid hoefde te stellen hun zienswijze naar voren te brengen voor het nemen van het besluit tot afwijzing van de aanvraag. Verzoekers hebben immers de mogelijkheid om (tegen)bewijs te leveren in bezwaar, in beroep en in hoger beroep, waarbij de afwijzing van de aanvraag geheel ongedaan kan worden gemaakt. Het college heeft voorts op grond van de in 4.5 vermelde opgave van verzoekers en de in 4.6 vermelde waarneming vastgesteld dat sprake is van schending van de op verzoekers rustende inlichtingenverplichting en dat als gevolg hiervan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Gelet op 4.6 houdt die feitelijke vaststelling in deze procedure stand. In dit licht bezien is geen sprake van een onzorgvuldig onderzoek.

4.8.

Verzoekers hebben aangevoerd dat ook in het geval dat verzoeker op 22 september 2016 heeft gewerkt bij het restaurant, het recht op bijstand schattenderwijs kan worden vastgesteld op grond van de salarisstroken waaruit een regelmatige arbeidsduurpatroon van twee uur per dag valt af te leiden tegen een bruto uurloon van € 9,-. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verzoekers hebben ten aanzien van de omvang van de werkzaamheden van verzoeker en het inkomen dat hij daarmee heeft verdiend in de hier te beoordelen periode onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt om tot een schatting te komen. Van belang is dat verzoeker op oproepbasis werkt en uit de voorhanden salarisstroken van de maanden juni, juli en september 2016 ook blijkt dat de omvang van het aantal arbeidsuren per maand sterk wisselt. Anders dan verzoekers menen kan uit de salarisstroken niet worden afgeleid dat verzoeker in de regel twee uur per dag werkt. Verzoekers hebben ook niet de gestelde omvang van telkens twee uur per dag nader verklaard en aannemelijk gemaakt. Verzoekers hebben evenmin een vast patroon of een vast aantal van gewerkte dagen gesteld en aannemelijk gemaakt. Daarbij komt dat dit niet alleen geldt voor de maand september 2016 maar tevens voor de rest van de hier te beoordelen periode die, gelet op 4.2, doorloopt tot en met 3 november 2016. Over dit laatste deel van de te beoordelen periode ontbreekt ieder nader gegeven. De rechtbank is daarom met juistheid tot de conclusie gekomen dat het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet schattenderwijs is vast te stellen.

4.9.

Uit 4.6 tot en met 4.8 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. Gelet daarop bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) C.A.E. Bon

ew