Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:366

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
14/5914 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Recht niet vast te stellen door stortingen op rekening wegens inkomsten. Betreft structurele handel. Afgewezen aanvraag wegens geen gewijzigde situatie. Boete op grond van normale verwijtbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5914 WWB, 15/11 WWB, 16/888 WWB, 16/6593 WWB

Datum uitspraak: 31 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van

12 september 2014, 14/2560 (aangevallen uitspraak 1), 8 december 2014, 14/4306 (aangevallen uitspraak 2) en 21 december 2015, 15/1040 (aangevallen uitspraak 3)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T. de Heer, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 15/4076 WWB, 15/4062 WWB, 15/4063 WWB, plaatsgevonden op 8 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Heer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.M. Diderich. In de gevoegde zaken is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Intrekking en terugvordering

1.1.

Appellant ontving met ingang van 30 december 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van door appellant overgelegde bankafschriften waaruit stortingen bleken van bol.com heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft onder meer dossieronderzoek plaatsgevonden en is appellant op 15 en

18 november 2013 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 20 november 2013.

1.3.

Vanaf 1 november 2013 is de bijstand niet meer aan appellant uitbetaald.

1.4.

Bij besluit van 12 december 2013 heeft het college de bijstand met ingang van

30 december 2012 ingetrokken op de grond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door giften, witte en zwarte inkomsten niet (volledig) op te geven alsook niet alle gevraagde gegevens te overleggen. Hierdoor kan het recht op bijstand per 30 december 2012 niet worden vastgesteld.

1.5.

Bij besluit van 8 januari 2014 heeft het college de over de periode van 30 december 2012 tot en met 31 oktober 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 8.654,61 van appellant teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 1 april 2014 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 12 december 2013 en 8 januari 2014 ongegrond verklaard.

Nieuwe aanvraag

1.7.

Op 26 maart 2014 heeft appellant zich gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Op 31 maart 2014 heeft appellant de aanvraag ingediend. Naar aanleiding daarvan heeft de DWI onder meer op 8 en 16 april 2014 onderzoek op internet gedaan. Hieruit is gebleken dat op internet advertenties van appellant op Marktplaats en Marktplaza zijn te zien, waarbij nieuwe horloges van de merken [merk 1] en [merk 2] worden aangeboden. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 april 2014.

1.8.

Bij besluit van 17 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 juni 2014 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat appellant thans wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand. Gebleken is dat appellant actief is met verkopen op internet door het aanbieden van horloges. Hiervan heeft appellant geen melding gemaakt waardoor hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Daarnaast heeft appellant naar eigen zeggen diverse spullen, ter waarde van

€ 12.000,-, gratis aan het Kringloopbedrijf gegeven. Als gevolg van het voorgaande heeft het college het recht op bijstand niet kunnen vaststellen.

Boete

1.9.

Bij besluit van 10 december 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 februari 2015 (bestreden besluit 3), heeft het college aan appellant een boete opgelegd van € 6.387,52, zijnde 100% van het netto benadelingsbedrag.

1.10.

Bij besluit van 22 mei 2015 (bestreden besluit 4) heeft het college bestreden besluit 3 herzien en de boete verlaagd naar € 3.193,76, zijnde 50% van het netto benadelingsbedrag.

2. Bij de aangevallen uitspraken 1 en 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen onderscheidenlijk bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluiten 3 en 4 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, het (primaire) besluit van 10 december 2014 herroepen en een boete opgelegd van € 1.700,00.

3. Bij besluit van 18 oktober 2016 (nader besluit) heeft het college de boete gewijzigd en vastgesteld op € 1.200,-.

4. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

5.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 30 december 2012 tot en met

12 december 2013.

5.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

5.3.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het bijstandverlenend orgaan op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

5.4.

Vaststaat dat appellant twee eigen websites had ( [website 1] en [website 2] ) waarop hij producten te koop aanbood en dat hij producten aanbood via bol.com onder de naam [naam] . In totaal ging het om meer dan 4.000 artikelen. Uit bankafschriften is gebleken dat appellant in de periode van 14 december 2012 tot en met

11 november 2013 in totaal € 4.803,33 heeft ontvangen van bol.com.

5.5.

Appellant heeft aangevoerd dat het voor ontvangers van bijstand niet verboden is goederen via het internet te verkopen mits daarvan melding wordt gemaakt indien daarmee inkomsten worden gegenereerd. Appellant heeft op verzoek van de DWI bij brief van 2 april 2013 een aantal gegevens verstrekt en te kennen gegeven dat hij verkoopactiviteiten verricht. Daarmee heeft appellant het verkopen via internet van goederen tijdig gemeld. Voor appellant was het bij de aanvang van zijn handel in boeken nog niet duidelijk of hij hiermee inkomsten zou genereren. Pas aan het eind van het boekjaar 2013 is duidelijk geworden dat de verkoop van de boeken niet tot de gewenste resultaten heeft geleid.

5.6.

In de brief van 2 april 2013 heeft appellant gemeld dat hij (oude) studieboeken verkoopt met een dagwaarde van in totaal € 1.800,-. Uit het onderzoek van de DWI is echter gebleken dat appellant veel meer producten te koop aanbood via bol.com alsmede via de twee andere websites. Daarmee is sprake van structurele handel, waarmee appellant inkomsten heeft kunnen genereren. Anders dan appellant meent, is dus geen sprake van het tijdig melden van (alle) activiteiten die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Daarmee heeft appellant de inlichtingenplicht geschonden.

5.7.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil, dient het bijstandverlenend orgaan daartoe over te gaan. In dat geval is geen plaats voor intrekking van de bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Indien na de schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is het bijstandverlenend orgaan gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben, op basis van de vaststaande feiten.

5.8.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het recht op bijstand achteraf niet is vast te stellen. De rechtbank heeft ten onrechte te strenge eisen verbonden aan de boekhouding die appellant heeft overgelegd.

5.9.

Appellant heeft ten aanzien van zijn verdiensten via bol.com hangende bezwaar alleen een zelfgemaakt overzicht overgelegd. Dit overzicht bevat echter geen objectieve en verifieerbare gegevens over de verkopen via bol.com. Ten aanzien van de websites [website 1] en [website 2] heeft appellant geen administratie bijgehouden. Appellant heeft gesteld dat hij via die websites geen inkomsten heeft gegenereerd, maar hij heeft die stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Door na te laten tijdig een volledige administratie over de in geding zijnde periode te over leggen, heeft appellant het risico genomen dat hij het college achteraf niet meer bewijsstukken zou kunnen aanleveren om de omvang van de werkzaamheden en/of de hoogte van de inkomsten aannemelijk te maken. De gevolgen daarvan dienen voor rekening van appellant te blijven.

5.10.

Het college heeft aan de intrekking ook ten grondslag gelegd dat appellant van de inkomsten in de maanden januari tot en met maart 2013 bij [BV] en de ontvangen giften geen melding heeft gemaakt bij het college. Daartegen zijn door appellant geen gronden aangevoerd. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in verband met de verdiensten uit bol.com en [BV] , mogelijke werkzaamheden of inkomsten via de websites [website 1] en [website 2] en de giften, het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

5.11.

Tegen de terugvordering heeft appellant ook geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft.

5.12.

Uit 5.4 tot en met 5.11 volgt dat dit hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak 1 zal daarom worden bevestigd.

Nieuwe aanvraag

6. In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op die aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 26 maart 2014 tot en met 17 april 2014.

6.1.

Indien periodieke bijstand is beëindigd of ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

6.2.

Appellant is daarin niet geslaagd. Hij heeft niet aangetoond dat in de te beoordelen periode sprake was van een wijziging in zijn omstandigheden ten opzichte van de situatie ten tijde van de intrekking van de bijstand, in die zin dat geen sprake meer is van structurele handel op internet. Op 4 april 2014 heeft een medewerker van de DWI appellant uitdrukkelijk gevraagd of hij nog actief is op internet met het verkopen van spullen. Daarop heeft appellant tot drie keer toe gezegd dat hij op geen enkele website actief is en geen spullen meer verkoopt. Appellant heeft deze antwoorden over het beëindigen van zijn verkoopactiviteiten niet met controleerbare en verifieerbare gegevens onderbouwd. Dit klemt te meer nu de DWI op 8 en 16 april 2014 op internet advertenties heeft gezien, waarin de naam en het telefoonnummer van appellant zijn genoemd. Appellant heeft niet met stukken onderbouwd dat deze advertenties op die data niet meer actief waren.

6.3.

Appellant heeft aangevoerd dat het in de te beoordelen periode niet meer ging om de verkoop van boeken, die hij in zijn bezit had, maar om de verkoop van horloges, die op geheel andere wijze plaatsvond. Deze beroepsgrond slaagt niet, nu in beide gevallen sprake is van handel via internet.

6.4.

Uit 6.2 en 6.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak 2 zal daarom worden bevestigd.

Boete

7.1.

Het nader besluit wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

7.2.

Zoals ter zitting is besproken, handhaaft het college de boete alleen voor zover het betreft de schending van de inlichtingenplicht ten aanzien van de inkomsten in de maanden januari tot en met maart 2013 bij [BV] en de ontvangen giften, waarvan appellant geen melding heeft gemaakt bij het college. Deze boete bedraagt blijkens het nadere besluit € 1.150,-.

7.3.

In 5.10 is geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Er bestaat geen aanleiding daarover in het kader van de boete anders te oordelen. Deze schending betreft zowel de inkomsten uit de verkoop via bol.com, de inkomsten van [BV] als de ontvangst van de giften. Van deze schending kan appellant ook een verwijt worden gemaakt. Gelet hierop is het college in beginsel gehouden met toepassing van artikel 18a van de WWB een boete op te leggen van ten hoogste het vastgestelde benadelingsbedrag.

7.4.

Het college heeft de boete - mede - bepaald aan de hand van de door de Raad in de uitspraken van 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1807, en 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:8 tot en met 13, gegeven criteria, waarbij het college is uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Ook de Raad is van oordeel dat een boete van € 1.150,-, gelet op de beschikbare gegevens, passend en geboden is.

7.5.

Uit 7.1 tot en met 7.4 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak 3 zal worden vernietigd voor zover daarin de hoogte van de boete is bepaald op € 1.700,-. Het beroep tegen het nader besluit is gegrond. De Raad zal het nader besluit vernietigen en het bedrag van de boete vaststellen op € 1.150,-.

8. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 990,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken van 12 september 2014 en 8 december 2014;

- vernietigt de aangevallen uitspraak van 21 december 2015, voor zover het de hoogte van de

boete betreft;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2016 gegrond en vernietigt dat besluit;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 1.150,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het vernietigde besluit van 18 oktober 2016;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 990,-;

- bepaalt dat dat het college het door appellanten in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 124,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en E.C.R. Schut en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) C. Moustaïne

HD