Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3655

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
30-10-2017
Zaaknummer
16/6772 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand op de grond dat de WIA-uitkering hoger is dan de bijstand met toepassing kostendelersnorm. De gronden kunnen niet meer slaan op toepassen van de kostendelersnorm. Over de toepassing van de kostendelersnorm heeft het college rechtens onaantastbaar beslist bij het besluit van 10 juni 2015. Appellante heeft tegen dit besluit immers geen rechtsmiddel ingesteld. De rechtbank heeft dit niet onderkend. In het bestreden besluit heeft het college over de toepasselijkheid van de kostendelersnorm niet opnieuw inhoudelijk beslist. De beroepsgronden die tegen de kostendelersnorm zijn aangevoerd kunnen reeds daarom niet slagen en behoeven geen verdere bespreking. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de WIA-uitkering hoger is dan de voor appellante geldende bijstandsnorm en dat het college de bijstand daarom terecht heeft ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6772 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

19 september 2016, 15/8367 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Diemen (college)

Datum uitspraak: 24 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.J.J. Hendrikse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hendrikse. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 29 juli 2013 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 14 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 juni 2015, heeft het college aan haar meegedeeld dat vanaf

1 juli 2015 voor haar de kostendelersnorm van toepassing is omdat zij samenwoont met haar meerderjarige zoon. De bijstand wordt hierdoor verlaagd naar € 686,31 netto per maand inclusief vakantietoeslag. Dit is de norm voor een alleenstaande met één kostendeler. Appellante heeft tegen het besluit van 10 juni 2015 geen beroep ingesteld.

1.2.

Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) die vanaf 1 juli 2015 hoger is dan de voor haar geldende bijstandsnorm. Bij besluit van 11 augustus 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

12 november 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2015 ingetrokken. In het bestreden besluit heeft het college vastgesteld dat reeds bij besluit van 14 april 2015 is beslist dat vanaf 1 juli 2015 de kostendelersnorm op appellante van toepassing is. Aan het bestreden besluit heeft het college vervolgens ten grondslag gelegd dat het inkomen van appellante vanaf 1 juli 2015 hoger is dan de voor haar geldende bijstandsnorm en dat er geen redenen zijn om haar desalniettemin bijstand te verlenen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is daarbij ingegaan op de bezwaren van appellante tegen de toepassing van de kostendelersnorm. De rechtbank heeft overwogen dat het college gehouden is om de kostendelersnorm toe te passen en dat hij geen ruimte heeft om de te onderscheiden belangen af te wegen. Het betoog van appellante dat haar zoon geen bron van inkomsten heeft en er daardoor geen kosten gedeeld kunnen worden, kan daarom niet leiden tot het buiten toepassing laten van de kostendelersnorm. Nu niet in geschil is dat appellante vanaf 1 juli 2015 een WIA-uitkering had die hoger was dan de voor haar geldende bijstandsnorm, beschikte zij vanaf die datum over voldoende middelen en had zij geen recht meer op bijstand. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank de bijstand van appellante dan ook terecht per 1 juli 2015 ingetrokken.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft daarbij, evenals eerder in beroep, aangevoerd dat toepassing van de kostendelersnorm buiten toepassing moet blijven omdat haar zoon geen inkomen heeft. Het vasthouden aan het uitgangspunt van het college dat desondanks sprake is van kostendelerschap berust volgens appellante op een verkeerde wetsinterpretatie dan wel wetstoepassing, althans is in strijd met de ratio van de PW.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Over de toepassing van de kostendelersnorm heeft het college rechtens onaantastbaar beslist bij het besluit van 10 juni 2015. Appellante heeft tegen dit besluit immers geen rechtsmiddel ingesteld. De rechtbank heeft dit niet onderkend. In het bestreden besluit heeft het college over de toepasselijkheid van de kostendelersnorm niet opnieuw inhoudelijk beslist. De beroepsgronden die tegen de kostendelersnorm zijn aangevoerd kunnen reeds daarom niet slagen en behoeven geen verdere bespreking. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de WIA-uitkering hoger is dan de voor appellante geldende bijstandsnorm en dat het college de bijstand daarom terecht heeft ingetrokken.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en A. Stehouwer en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2017.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J. Tuit

HD