Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3644

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
30-10-2017
Zaaknummer
15/8424 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag Bbz 2004 omdat niet voldaan is aan inkomenseis. In verband met vaststellingsovereenkomst heeft appellant geen belang bij een beoordeling van het beroep tegen het nadere besluit. Het conflict tussen partijen is inmiddels beëindigd. Geen procesbelang meer.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Algemene wet bestuursrecht 6:24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2017/334
USZ 2017/427
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 8424 BBZ, 16/1695 BBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

27 november 2015, 15/2325 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad (college)

Datum uitspraak: 24 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeenschappelijke regeling zijn - voor zover hier van belang - de bevoegdheden van het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst [bedrijf] (dagelijks bestuur) met ingang van 1 januari 2017 overgedragen aan het college. In deze uitspraak wordt onder het college tevens verstaan het dagelijks bestuur.

Namens appellant heeft mr. E.M.H. Geubbels, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een nieuw besluit genomen (nader besluit).

Appellant heeft zijn zienswijze naar voren gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2017. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Königs.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 13 november 2014 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Appellant heeft verzocht om in verband met nieuwe bedrijfsactiviteiten, te weten concept en design van meubelen onder de handelsnaam [handelsnaam] , een krediet van € 60.000,- ter financiering van investeringen, herfinanciering van schulden en een tijdelijke inkomensondersteuning voor een periode van twaalf maanden.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college het Instituut Midden en Kleinbedrijf (IMK) verzocht een onderzoek in stellen naar de levensvatbaarheid van de onderneming van appellant. Het IMK heeft op 15 januari 2015 advies uitgebracht met de conclusie dat de levensvatbaarheid met de beschikbare gegevens onvoldoende is aangetoond. Het IMK heeft het college in overweging gegeven om appellant een aanvullende Bbz-uitkering te verstrekken gedurende een periode van drie maanden om hem in de gelegenheid te stellen zijn bedrijfsplan verder uit te werken.

1.3.

Op 16 januari 2015 heeft een klantmanager Inkomen van [bedrijf] met appellant een gesprek gevoerd. Hierin heeft appellant meegedeeld dat hij mogelijk als oudere zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 voor een uitkering in aanmerking kan komen. Desgevraagd heeft het IMK op 21 januari 2015 te kennen gegeven dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden om als oudere zelfstandige te worden aangemerkt, omdat appellant al meer dan zes maanden zijn vorige bedrijf niet meer uitoefent. Bovendien verwacht het IMK niet dat appellant aan de inkomenseis van minimaal € 7.635,- per jaar gaat voldoen.

1.4.

Bij besluit van 23 januari 2015 heeft het college de aanvraag van 13 november 2014 van appellant afgewezen. Het college heeft appellant daarbij aangemerkt als startende zelfstandige in verband met de nieuwe bedrijfsactiviteiten onder de naam [handelsnaam] . Appellant kan niet worden aangemerkt als oudere zelfstandige omdat hij zijn vorige bedrijf al meer dan zes maanden niet heeft uitgeoefend en hij niet kan aantonen dat hij naar verwachting aan de inkomenseis als bedoeld in artikel 25 van het Bbz 2004 zal gaan voldoen.

1.5.

Bij besluit van 31 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 januari 2015, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard.

1.6.

Per 21 november 2015 is appellant verhuisd naar de gemeente Waalwijk.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Naar het aspect van een gemiddeld te verwachten jaarinkomen als bedoeld in artikel 25 van het Bbz 2004, is onvoldoende onderzoek verricht. Daarnaast is ter zitting gebleken dat het college niet heeft beoordeeld of appellant als oudere zelfstandige in aanmerking zou kunnen komen voor bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en artikel 26 van het Bbz 2004. Verder blijkt uit het rapport van het IMK niet dat specifiek onderzoek is gedaan naar de te verwachten omzet indien appellant wel in staat zou zijn gesteld - met bijvoorbeeld bedrijfskrediet - zijn ontwerpen te laten maken en ter verkoop aan te bieden. Het onderzoek is dan ook niet volledig geweest.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij het nader besluit van 4 maart 2016 de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant niet heeft aangetoond dat hij aan de in artikel 25 van het Bbz 2004 neergelegde inkomenseis kan voldoen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.

5.2.

Het college heeft bij brief van 23 maart 2017 een ‘vaststellingsovereenkomst bij einde mediation’ (vaststellingsovereenkomst) overgelegd. Appellant en de directeur van [bedrijf] namens [bedrijf] hebben deze vaststellingsovereenkomst op 30 december 2016 ondertekend. In de preambule van de vaststellingsovereenkomst hebben partijen onder meer overwogen dat zij een conflict hebben dat gaat over de aanvragen, behandeling, beroep en bezwaar in relatie tot de Bbz 2004, Participatiewet en IOAZ, dat [bedrijf] ter beëindiging van deze conflicten en onder voorwaarde van beëindiging van alle lopende bezwaar-, beroep- en klachtprocedures coulancehalve een minnelijke regeling aan appellant aanbiedt en dat appellant dit aanbod, dat betrekking heeft op de periode tussen 14 november 2014 en 21 november 2015 (toen appellant in [gemeente 1] woonde), van [bedrijf] accepteert. Vervolgens is in de vaststellingsovereenkomst, voor zover hier van belang, tussen appellant (aangeduid als

partij 1) en [bedrijf] (aangeduid als partij 2) het volgende overeengekomen:

“1. Partij 2 betaalt aan partij 1, als minnelijke regeling ter beëindiging (van) het tussen hen spelende conflict een bedrag van

€ 8.750,44 (…). Dit bedrag is het saldo van de normuitkering inclusief vakantiegeld, verminderd met door partij 2 aan partij 2 (lees: 1) uitbetaalde voorschotten en leningen (…).

(…)

3. Partij 1 beëindigt en trekt alle lopende bezwaar- , beroep- en klachtprocedures tegen individuele medewerkers van [bedrijf] , bestuurders en bestuursorganen van [bedrijf] , gemeente [gemeente 1] en de rechtsopvolger gemeente [gemeente 2] alsmede het IMK in en ziet af van toekomstige juridische acties of het instellen van rechtsmiddelen of het indienen van klachten tegen hen, met betrekking tot de conflicten waarop deze overeenkomst betrekking heeft.

(…)

6. Partijen verklaren dat zij, behoudens met betrekking tot de rechten en verplichtingen die in deze overeenkomst zijn genoemd, niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar algehele en finale kwijting te verlenen.

7. Partijen doen afstand van het recht vernietiging en ontbinding van deze overeenkomst te vorderen.”

5.3.

Gelet op de vaststellingsovereenkomst is de vraag aan de orde of appellant procesbelang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep.

5.4.

Gelet op de inhoud van de vaststellingsovereenkomst, zoals in 5.2 weergegeven, is het conflict tussen partijen over de in dit geding aan de orde zijnde aanspraak van appellant jegens het college op bijstand ingevolge de Bbz 2004 beëindigd. Niet valt in te zien dat partijen thans over die aanspraak nog een geschil hebben. Met de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst is dan ook het procesbelang van appellant bij het hoger beroep komen te vervallen.

5.5.

Appellant heeft aangevoerd dat hij zich gedwongen voelde de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen, omdat hij door zijn financiële situatie “met de rug tegen de muur stond”, zodat hij niet aan de vaststellingsovereenkomst kan worden gehouden. Dit betoog slaagt niet, reeds omdat appellant zijn stelling niet met concrete stukken heeft onderbouwd. Bovendien had appellant ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst recht op uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen van de gemeente Waalwijk waarmee hij in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan kon voorzien. Van betekenis is in dit verband voorts dat voorafgaande aan het ondertekenen van de overeenkomst op 30 december 2016 tussen partijen op 17 oktober 2016 en op 2 en 22 november 2016 gesprekken hebben plaatsgevonden en dat, zoals appellant ter zitting bij de Raad heeft verklaard, zijn toenmalige rechtsbijstandverlener naar aanleiding daarvan appellant had geadviseerd om de vaststellingsovereenkomst te sluiten.

5.6.

Wat in 5.2 tot en met 5.5 is overwogen leidt tot de conclusie dat appellant geen belang heeft bij een uitspraak op het hoger beroep, zodat dit niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Gelet hierop komt de Raad niet toe aan een beoordeling van het beroep tegen het nader besluit.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD