Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3642

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
15/7022 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op uitkering op grond van de Wet WIA. Zorgvuldig onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten afdoende en adequaat toegelicht waarom appellant in staat moet worden geacht de eerder voor hem geselecteerde voorbeeldfuncties te kunnen vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7022 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

11 september 2015, 14/4515 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 18 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.S. Sahtoe hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Sahtoe heeft zich als gemachtigde teruggetrokken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2017. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 2 januari 2012 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als vloerenlegger wegens huidklachten. Nadien hebben zich bij appellant ook psychische klachten en vermoeidheids- en gewrichtsklachten ontwikkeld. Op 5 oktober 2013 heeft hij een beroep gedaan op zijn vrijwillige verzekering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en een aanvraag ingediend voor een uitkering.

1.2.

Het Uwv heeft na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek bij besluit van 13 januari 2014 vastgesteld dat voor appellant per 19 januari 2014 geen recht op uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat hij op die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.3.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 17 november 2014 (bestreden besluit) gegrond verklaard, met de vaststelling dat appellant vanaf 19 januari 2014 recht heeft op een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het Uwv heeft ter onderbouwing van dat besluit verwezen naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig. Deze arts heeft het dossier bestudeerd, aanvullend anamnestisch en psychisch oriënterend onderzoek verricht tijdens de hoorzitting en appellant aansluitend aan de hoorzitting lichamelijk onderzocht. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het verslag van medisch adviseur E.C. van der Eijk van 28 oktober 2014 in zijn beoordeling betrokken alsook de in beroep overgelegde medische stukken, die hebben geleid tot aanpassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Het is de rechtbank niet gebleken dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en bezwaar en beroep inconsistenties bevat of dat dit niet concludent is. De stelling van appellant dat zijn beperkingen zijn onderschat heeft de rechtbank niet onderschreven. Naar aanleiding van het verslag van Van der Eijk en de rapporten van GZ-psycholoog H. Schuurmans en neuropsychologen M. Bertelkamp en
E. van Valen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullende beperkingen aangenomen in de sociale interactie, communicatie en samenwerking met anderen. Verder heeft die verzekeringsarts appellant aangewezen geacht op werk waarin meestal weinig of geen rechtstreeks contact met klanten, patiënten of hulpbehoevenden vereist is en op werk dat geen leidinggevende aspecten bevat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd waarom de door appellant eveneens gewenste beperking op werk waarin meestal geen direct contact met collega’s vereist is niet wordt aangenomen, omdat een normaal functioneel contact met een collega tijdens werk, en over het werk bij appellant niet beperkt is en voor hem ook informele, niet al te intensieve communicatie mogelijk moet zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft wat betreft de beperking op geluidsbelasting opgemerkt dat wat door Schuurmans wordt beschreven slechts anamnestische bevindingen zijn, er geen oorzakelijke gehoorafwijkingen benoemd worden en dat uit de medische stukken blijkt dat er geen direct probleem is met de prikkelverwerking. Een beperking wat betreft geluidsbelasting komt ook niet tot uitdrukking in de uitgebreid aanwezige informatie van de curatieve sector. Wat de handvaardigheid betreft heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitvoerig uiteengezet waarom de Grooved Pegboard test in dit geval niet betrouwbaar moet worden geacht en waarom er dan ook geen reden is beperkingen aan te nemen voor de handvaardigheid. In al wat appellant in beroep heeft aangevoerd en in de beschikbare medische informatie bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde medische beperkingen zijn de geselecteerde functies voor appellant geschikt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de zogeheten signaleringen van een afdoende adequate toelichting voorzien. De grond dat de functie wikkelaar (SBC-code 267050) niet passend is in verband met het opleidingsniveau van appellant slaagt volgens de rechtbank niet, omdat het om een functie op opleidingsniveau twee gaat en appellant over dat opleidingsniveau beschikt. De rechtbank heeft ten slotte in de omstandigheid dat het Uwv de FML in beroep heeft aangepast, aanleiding gezien om met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep van appellant ongegrond te verklaren maar het Uwv wel te veroordelen in de door appellant gemaakte proceskosten en ook te bepalen dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht dient te vergoeden. Het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank afgewezen.

3.1.

Appellant is van mening dat de veelheid aan medische informatie die hij in geding heeft gebracht moet leiden tot de conclusie dat het oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv niet consistent is opgebouwd en gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn gelet op de door hem overgelegde rapporten – welke rapporten de rechtbank ten onrechte heeft gepasseerd – ernstiger dan door het Uwv aangenomen.

3.2.

Het Uwv is van mening dat appellant zijn stelling dat zijn beperkingen onjuist zijn vastgesteld niet met (nieuwe) medische gegevens onderbouwd. Anders dan appellant is het Uwv van mening dat de uitgebreide rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende consistent, gemotiveerd en daarom zorgvuldig zijn. In die rapporten is ingegaan op alle medische argumenten die tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure naar voren zijn gebracht en ook blijkt uit die rapporten op welke wijze de in de procedures overgelegde medische informatie is gewogen en beoordeeld.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Het hoger beroep is alleen gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit.

4.2.

In wat appellant heeft aangevoerd zijn geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, de ter zake opgestelde rapporten inconsistenties bevatten of niet concludent zijn, dan wel dat de medische beoordeling onjuist is of aan de juistheid van deze beoordeling twijfel bestaat. De uitgebreide overwegingen van de rechtbank onder 4 tot en met 18 van de aangevallen uitspraak, samengevat weergegeven onder 2 van deze uitspraak, worden volledig onderschreven. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig onderzoek hebben verricht en in hun rapporten inzichtelijk en overtuigend hebben onderbouwd hoe zij, na eigen onderzoek van appellant en bestudering van de voorhanden zijnde gedingstukken, waaronder informatie van de behandelend sector en de op verzoek van appellant uitgebrachte rapporten, tot de in de in beroep aangepaste FML van
27 maart 2015 neergelegde bij appellant bestaande beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn gekomen. Daarbij wordt er nog op gewezen dat de door appellant overgelegde verzekeringsgeneeskundige en (neuro)psychologische rapporten door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals blijkt uit zijn rapport van 7 november 2014, uitdrukkelijk bij zijn beoordeling zijn betrokken. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische informatie ingezonden die twijfel heeft gezaaid over het oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangepaste FML van 15 mei 2015 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de belasting in de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt en daarom ook in medisch geschikt voor hem zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 7 juli 2014, aangevuld bij rapport van 5 februari 2015, afdoende en adequaat toegelicht waarom appellant in staat moet worden geacht de eerder voor hem geselecteerde voorbeeldfuncties te kunnen vervullen.

4.4.

Ter zitting heeft appellant gesteld dat hij het ook niet eens is met de vaststelling van zijn maatmaninkomen. Appellant is, zo heeft hij gesteld, op oudejaarsdag overvallen door een telefoontje van de arbeidsdeskundige met de vraag hoeveel uur per week hij werkte in de periode voorafgaand aan zijn uitval in januari 2012. Zijn antwoord van 40 uur per week, was niet gebaseerd op het werkelijk aantal gewerkte uren, maar op het aantal “op papier” gewerkte uren. Een berekening op basis van de aantekeningen in zijn agenda zouden uitwijzen hij in de laatste periode voor zijn uitval niet meer dan gemiddeld 20 uur per week heeft gewerkt. Deze grond slaagt niet. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige van 3 januari 2014 blijkt dat appellant op diezelfde dag een gesprek heeft gehad met de arbeidsdeskundige. Tijdens dat gesprek heeft appellant vermeld dat hij een wisselend aantal uren per week werkte, tussen de 20 en 60 uur per week. De arbeidsdeskundige heeft het gemiddeld aantal per week gewerkte uren vervolgens vastgesteld op 40. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat hij gemiddeld geen 40, maar 34,5 per week werkte. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 7 juli 2014 uiteengezet dat en waarom hij uit blijft gaan van een gemiddelde werkweek van 40 uur. In het dossier komen namelijk ook mededelingen van appellant voor dat hij 50 uur per week dan wel 40 tot 60 uur per week werkte. Daaraan wordt toegevoegd dat het wegens vakantie en kort ziekteverzuim aangewezen zou kunnen zijn om niet uit te gaan van 52 gewerkte weken per jaar, maar van bijvoorbeeld 46 gewerkte weken per jaar. Bij een dergelijk uitgangspunt stijgt weliswaar de mate van arbeidsongeschiktheid, maar niet tot boven de 45%.

5. Gelet op wat onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2017.

(getekend) M.C. Bruning

De griffier is verhinderd te ondertekenen

RB