Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3640

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
15/8404 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op een WGA-vervolguitkering. In de aangepaste FML is in voldoende mate rekening gehouden met de bij appellante bestaande beperkingen tot het verrichten van arbeid. De door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies zijn in medisch opzicht passend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8404 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

11 november 2015, 15/1120 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 18 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.J.A. Vis hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2017. Namens appellante is verschenen haar echtgenoot [naam echtgenoot] en mr. Vis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als medewerkster thuiszorg bij [naam werkgever 1] voor 12,02 uur per week en bij [naam werkgever 2] voor 12,13 uur per week, in totaal voor 24,15 uur per week. Op 7 maart 2011 heeft appellante zich tijdens haar zwangerschap ziek gemeld in verband met lichamelijke en psychische klachten. Naar aanleiding van die ziekmelding heeft het Uwv appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet. Appellante heeft van 20 mei 2011 tot en 22 september 2011 een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) ontvangen. Na afloop van de WAZO-uitkering was appellante nog ongeschikt voor het verrichten van haar arbeid en is zij weer in aanmerking gebracht voor ziekengeld.

1.2.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 24 juli 2013 vastgesteld dat op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen voor appellante bij het einde van de zogeheten wachttijd vanaf 7 juli 2013 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij bepaald op 72,72%.

1.3.

Tegen dat besluit heeft de voormalig werkgever van appellante [naam werkgever 1] bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is bij besluit van 19 december 2013 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante 37,40% in plaats van 72,72% bedraagt.

1.4.

Omdat de loongerelateerde WGA-uitkering eindigde op 7 april 2014 heeft het Uwv bij besluit van 7 februari 2014 vastgesteld dat appellante vanaf die datum in aanmerking komt voor een WGA-vervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

35 tot 45%.

1.5.

Naar aanleiding van het tegen dat besluit ingediende bezwaar heeft een verzekeringsarts een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld en een arbeidsdeskundige nieuwe functies geselecteerd. Met een brief van 16 april 2014 zijn deze stukken aan appellante toegezonden en is meegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid is berekend op 25,02%. Naar aanleiding van de reactie van appellante op deze stukken heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML aangepast en heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op basis van deels nieuwe functies de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 29,14%.

1.6.

Na het volgen van een zogenoemde voornemenprocedure heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 februari 2014 bij besluit van 14 januari 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Verder heeft het Uwv besloten dat appellante met ingang van 25 januari 2015 geen recht meer heeft op een WGA-vervolguitkering, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder is dan 35%.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de stelling van appellante dat zij volledig arbeidsongeschikt is niet door haar met medische stukken is onderbouwd. Naar aanleiding van het bezwaar van appellante dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het protocol “Depressieve stoornis” maar gedeeltelijk heeft gevolgd heeft de rechtbank geoordeeld, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 16 september 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7873), dat verzekeringsgeneeskundige protocollen geen dwingend karakter hebben. De rechtbank is verder van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig aandacht heeft besteed aan de klachten die onder het protocol vallen en dat hij gemotiveerd is ingegaan op de bevindingen van de door appellante ingeschakelde verzekeringsarts. Appellante heeft geen objectieve gegevens overgelegd die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de in beroep aangepaste FML van 19 augustus 2015 vastgestelde functionele mogelijkheden. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat niet is gebleken dat de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar arbeidsbeperkingen zijn onderschat. Daarbij heeft zij verwezen naar de rapporten van de door haar ingeschakelde verzekeringsarts E.C. van der Eijk van 29 juli 2015 en 11 april 2016. In die rapporten heeft Van der Eijk deels de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen beperkingen onderschreven, maar ook heeft hij het standpunt ingenomen dat in verband met de (niet betwiste) depressieve stoornis appellante is aangewezen op werk waarbij zij kan terugvallen op routine en een vertrouwd sociaal netwerk. De geselecteerde functies voldoen niet aan deze voorwaarden en kunnen daarom niet worden gebruikt voor het bepalen van de resterende verdiencapaciteit. Het bestreden besluit had door de rechtbank moeten worden vernietigd.

3.2.

Het Uwv is van mening dat de rechtbank onder verwijzing naar de onder 2 genoemde uitspraak terecht heeft vastgesteld dat de verzekeringsgeneeskundige protocollen slechts bedoeld zijn als hulpmiddel en geen dwingend karakter hebben. Appellante heeft geen objectieve medische gegevens overgelegd die aanleiding zouden moeten geven de FML te wijzigen. Verzocht is de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat met de ‒ naar aanleiding van het rapport van Van der Eijk van 29 juli 2015 in beroep aangepaste ‒ FML van 19 augustus 2015 in voldoende mate rekening is gehouden met de bij appellante bestaande beperkingen tot het verrichten van arbeid. Appellante heeft, zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak ook heeft geconstateerd, geen objectieve gegevens overgelegd die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de FML van 19 augustus 2015. Wat betreft het standpunt van appellante dat, gegeven het oordeel van verzekeringsarts Van der Eijk, in de FML – daarbij verwijzende naar het “Verzekeringsgeneeskundig protocol Depressieve stoornis” – ten onrechte niet is opgenomen dat voor appellante ook van belang is dat zij moet kunnen terugvallen op routine en een bekend (vertrouwd) sociaal netwerk overweegt wordt als volgt overwogen. Terecht heeft de rechtbank onder verwijzing naar vaste rechtspraak (uitspraak van de Raad van

16 september 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7873) vastgesteld dat verzekeringsgeneeskundige protocollen geen dwingend karakter hebben. Deze protocollen bieden alleen ondersteuning voor de verzekeringsgeneeskundige oordeelsvorming. Nog los van het feit dat het protocol dus het karakter van een hulpmiddel heeft, kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep worden gevolgd in zijn oordeel dat het kunnen terugvallen op routine en een bekend (vertrouwd) sociaal netwerk met name ziet op re-integratie in het eigen werk en geen noodzakelijke voorwaarde is voor het kunnen verrichten van werkzaamheden waarin rekening wordt gehouden met alle beperkingen van appellante als in de FML beschreven.

4.2.

Uitgaande van de juistheid van de aangepaste FML van 19 augustus 2015 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de voorbeeldfuncties die door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, terecht voor appellante in medisch opzicht als passend zijn aangemerkt. Daarbij is nog van belang dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de bij die functies voorkomende signaleringen ook afdoende heeft toegelicht.

5. De overwegingen in 4.1 en 4.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2017.

(getekend) M.C. Bruning

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

AB