Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3638

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
15/7502 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op toereikende en inzichtelijke wijze gemotiveerd waarom de geselecteerde functies ondanks de signaleringen toch passend zijn voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7502 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

30 september 2015, 15/120 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 18 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Lück hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nog nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft zich met ingang van 31 maart 2005 ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft vastgesteld dat voor appellant met ingang van 29 maart 2007 recht is ontstaan op uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 18 september 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van

19 november 2013 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het door appellant tegen het besluit van 18 september 2013 ingediende bezwaar is bij besluit van 9 april 2014 ongegrond verklaard. Op 4 juni 2014 heeft appellant het tegen dat besluit ingestelde beroep ingetrokken, zodat het besluit van 18 september 2013 in rechte onaantastbaar is.

1.2.

Op 13 juni 2014 heeft appellant gemeld dat zijn gezondheid met ingang van 20 maart 2014 is verslechterd. Het Uwv heeft bij besluit van 26 juni 2014 meegedeeld geen reden te zien om terug te komen van de besluiten van 18 september 2013 en 9 april 2014, omdat appellant geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft doorgegeven. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 juni 2014. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na onderzoek van appellant een Functionele Mogelijkhedenlijst opgesteld, omdat de medische situatie van appellant op de datum in geding verslechterd is ten opzichte van de
WIA-beoordeling in 2013. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft appellant in staat geacht tot het vervullen van diverse functies en de mate van arbeidsongeschiktheid, op basis van het loon in de middelste van de drie functies met de hoogste lonen, berekend op 33,57%. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 3 december 2014 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, omdat appellant met ingang van 20 maart 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt in de zin van Wet WIA is.

2. De rechtbank heeft het ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat in de overgelegde stukken en in wat appellant in beroep heeft aangevoerd geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellant niet juist zijn vastgesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant op de in geding zijnde datum in staat is te achten arbeid te verrichten die qua belasting in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde medische beperkingen. Gelet op de beschikbare stukken en de motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is naar het oordeel van de rechtbank op overtuigende wijze inzichtelijk gemaakt waarom de geselecteerde functies voor appellant passend worden geacht.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de signaleringen in de functies op de aspecten 1.9.4 en 1.9.5 onvoldoende zijn gemotiveerd. Bij de functies van perronmedewerker en samensteller metaalwaren moet uit de functieomschrijvingen worden afgeleid dat het bij die functies niet gaat om functies met een rustige werkomgeving (zonder veel prikkels zoals harde geluiden of een drukke omgeving). Dit geldt ook voor de functie van samensteller elektronische apparatuur. Bij de functie receptionist/telefonist wordt er ten onrechte van uitgegaan dat appellant langer dan een uur achter een computer kan werken. Appellant krijgt dan last van de straling van de computer. Voorts kan als gevolg van de veelvuldig overgaande telefoon ook in deze functie niet worden gesproken van een rustige werkomgeving.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift verwezen naar een meegezonden rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 januari 2016. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de gronden in hoger beroep de functie magazijn-/expeditiemedewerker

(SBC-code 111220) laten vervallen en aan de schatting alsnog de functie van inpakker

(SBC-code 111190) ten grondslag gelegd. Die arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport ook uitgebreid gemotiveerd waarom de belasting in de thans geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet te boven gaat. Op basis van het middelste (mediane) loon in de drie functies met de hoogste lonen is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd vastgesteld op 33,57%.

4. De Raad komt tot het volgende oordeel.

4.1.

Het hoger beroep is alleen gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de functies in medisch opzicht passend zijn voor appellant. Meer specifiek is aangevoerd dat de signaleringen op de aspecten 1.9.4 en 1.9.5 in de functies perronmedewerker
(SBC-code 111220), samensteller metaalwaren (SBC-code 264140) en samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050) onvoldoende zijn gemotiveerd. Verder is aangevoerd dat de functie receptionist/telefonist (SBC-code 315120) niet passend is, omdat appellant niet langer dan een uur achter een computer kan werken. Hij krijgt dan last van de straling van de computer. De zeer veelvuldig overgaande telefoon maakt dat de werkomgeving niet kan worden omschreven als een werkomgeving zonder veel prikkels.

4.2.

In hoger beroep heeft opnieuw een arbeidskundige beoordeling plaatsgevonden waarbij één functie is vervallen en één functie is toegevoegd en de signaleringen in alle geselecteerde functies nader zijn toegelicht. Appellant heeft op deze stukken niet gereageerd en is ook niet ter zitting verschenen om een reactie op die stukken te geven.

4.3.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 20 januari 2016 op toereikende en inzichtelijke wijze gemotiveerd waarom de geselecteerde functies ondanks de signaleringen toch passend zijn voor appellant. Hij heeft daarvoor over sommige aspecten ook overleg gevoerd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Kort samengevat komt het erop neer dat in de functie inpakker sprake is van aanwezigheid van machinegeluiden, maar omdat het gaat om een constante aanwezigheid is dat niet bezwaarlijk. Appellant is niet geschikt voor werkzaamheden in een omgeving met plotselinge, harde geluiden en ook niet met veel geluiden, die niet constant van aard zijn. In alle functies gaat het om werksituaties die voorspelbaar zijn. Ook het werk in de functie van telefonist/receptionist is overzichtelijk en er is geen sprake van harde geluiden. Gelet hierop heeft het Uwv terecht vastgesteld dat appellant per 20 maart 2014 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA.

4.4.

Het Uwv heeft eerst in hoger beroep het bestreden besluit van een toereikend arbeidskundige grondslag voorzien en het bestreden besluit daarmee eerst in hoger beroep deugdelijk gemotiveerd. Nu aannemelijk is dat appellant hierdoor niet is benadeeld, omdat deze nadere motivering geen wijziging teweegbrengt in het bestreden besluit, worden met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hieraan geen gevolgen verbonden.

5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.4 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt wel aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 990,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 495,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.485,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.485,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2017.

(getekend) M.C. Bruning

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

AB