Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3637

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
14/2620 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WGA-vervolguitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2620 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 maart 2014, 13/5963 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 20 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N. Abalhaj hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 28 mei 2014 heeft mr. E. van den Boogaard, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 2 december 2016 heeft mr. Van den Boogaard een aanvullend beroepschrift ingediend.

Het Uwv heeft een aanvullend verweerschrift ingediend, met als bijlage een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 december 2016.

Bij brief van 21 april 2017 heeft mr. Van den Boogaard een expertise van psychiater (niet praktiserend) dr. H.A. Droogleever Fortuyn van 7 april 2017 ingediend.

Bij brief van 19 juni 2017 heeft het Uwv op deze expertise gereageerd door indiening van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 mei 2017.

Partijen hebben bij brieven van 11 juli 2017 en 11 augustus 2017 toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als traffic manager. Op 8 augustus 2008 is zij uitgevallen met diverse klachten. Na een beoordeling op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellante bij besluit van 16 september 2010 met ingang van 6 augustus 2010 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering. Het door appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 april 2011 ongegrond verklaard. Het tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank Amsterdam van

26 april 2012 ongegrond verklaard.

1.2.

Bij formulier van 5 augustus 2012 heeft appellante zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld per 1 juni 2012.

1.3.

Bij besluit van 8 november 2012 heeft het Uwv aan appellante per 6 januari 2013 een WGA-vervolguitkering toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van

55-65%.

1.4.

Bij besluit van 15 februari 2013 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 1 juni 2012 vastgesteld op 52,73% en de WGA-vervolguitkering per 1 mei 2013 verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Tegen dat besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Bij besluit van 5 september 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen het besluit van 15 februari 2013 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 juli 2013 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 augustus 2013.

2. In de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht en dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat objectief bezien onvoldoende rekening is gehouden met de klachten van appellante. Naar het oordeel van de rechtbank berust het bestreden besluit op een deugdelijk gemotiveerd medische grondslag. De geschiktheid van de voor het bestreden besluit geselecteerde functies heeft de rechtbank ook voldoende gemotiveerd geacht. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante terecht heeft berekend op 52,73%. Daarom heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij de hiervoor onder Procesverloop vermelde expertise ingediend.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft terecht en op goede gronden het beroep van appellante ongegrond verklaard. Hier wordt volstaan met een verwijzing naar de zeer uitvoerig gemotiveerde overwegingen 3.1 tot en met 3.8 van de aangevallen uitspraak, die hier worden overgenomen.

4.2.

Naar aanleiding van de in hoger beroep door appellante ingediende expertise van psychiater Droogleever Fortuyn wordt overwogen dat deze expertise is verricht in het kader van een letselschadeprocedure en gebaseerd op de AMA, dus een ander kader dan de Wet WIA. Deze psychiater stelt als diagnose “somatisch symptoomstoornis, matig, persisterend” (SSS). Hij heeft daarbij te kennen gegeven dat het bij SSS gaat om de mate van disproportionaliteit en de eigen klachtenbeleving. De omvang van de beperkingen die hierdoor ontstaat is door hem niet exact aan te geven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 29 mei 2017 inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd waarom deze expertise en de daarin vermelde diagnose niet leidt tot het aannemen van meer beperkingen op de datum hier in geding. Geen aanknopingspunten worden gezien om te twijfelen aan de juistheid van deze beschouwing van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarom wordt geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen dan wel de partijdeskundige Droogleever Fortuyn nader te bevragen.

4.3.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit bestaat evenmin aanleiding het oordeel van de rechtbank niet te volgen.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2017.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) P. Boer

IJ