Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3625

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
24-10-2017
Zaaknummer
16/3289 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsgronden niet (tijdig) ingediend. Geen sprake van verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3289 ZVW

Datum uitspraak: 18 oktober 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

4 april 2016, 16/941 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (Duitsland) (appellante)

CAK

PROCESVERLOOP

Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK mede verstaan Zorginstituut Nederland.

Namens appellante heeft mr. J.G. van der Valk hoger beroep ingesteld.

CAK heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Van der Valk heeft zich teruggetrokken als gemachtigde van appellante.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2017. Appellante is, met bericht, niet verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.


OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 18 december 2015 heeft CAK aan appellante een aanmaning gestuurd. CAK heeft appellante in deze aanmaning verzocht om binnen veertien dagen het openstaande bedrag van € 4.049,99 aan buitenlandbijdragen over de jaren 2006 tot en met 2009 te betalen.

1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 30 december 2015 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar tegen de aanmaning van 18 december 2015 niet-ontvankelijk verklaard omdat tegen een aanmaning geen bezwaar en beroep mogelijk is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit, onder verwijzing naar de artikelen 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, en 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Het ingediende beroepschrift bevat geen beroepsgronden. De rechtbank heeft appellante bij brief van 10 februari 2016 in de gelegenheid gesteld om dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van
29 februari 2016 heeft zij haar vervolgens uitstel verleend voor het indienen van de gronden tot 30 maart 2016. Een tweede verzoek om uitstel van appellante van 4 maart 2016 heeft de rechtbank op 22 maart 2016 afgewezen. Appellante heeft niet binnen de gestelde termijn van 30 maart 2016 de gronden van haar beroep ingediend. Van een verschoonbare reden voor het niet tijdig indienen van de gronden is niet gebleken. De door appellante aangevoerde omstandigheden waaronder het slachtoffer zijn van misdrijven, haar aanstaande verhuizing en een keukenbrand waarbij stukken zijn verdwenen, heeft zij niet met stukken onderbouwd.

3. Appellante heeft in hoger beroep de bij de rechtbank aangevoerde gronden herhaald. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat zij als gevolg van haar psychische geestestoestand volledig buiten staat was om de gronden van het beroep bij de rechtbank tijdig in te dienen dan wel daarvoor de hulp van een derde in te schakelen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellante niet binnen de gestelde termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb beroepsgronden heeft ingediend. Daarom ligt uitsluitend ter beoordeling voor of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

4.2.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank daarover en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. Appellante heeft haar standpunt dat zij door haar psychische gesteldheid niet in staat was om tijdig de gronden van haar beroep bij de rechtbank in te dienen, dan wel hulp van een derde in te schakelen, niet met medische stukken onderbouwd. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.

4.3.

Hieruit volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat aan een beoordeling van de beroepsgronden gericht tegen de vaststelling van de buitenlandbijdrage over de jaren 2006 tot en met 2009 niet wordt toegekomen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en A.J. Schaap en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2017.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) G.J. van Gendt

AB