Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3623

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
14/2351 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit 1: Het Uwv handhaaft het bestreden besluit 1 niet langer. Beroep gegrond. Vernietiging besluit en uitspraak. Besluit 2: Geen reden voor een eerdere ingangsdatum van de uitkering. De attenderingsbrief waarin appellante is gewezen op de mogelijkheid van een WIA-aanvraag is gestuurd naar het adres waarop appellante stond ingeschreven. Hiermee heeft het Uwv voldaan aan het bepaalde in artikel 64, tweede lid, van de Wet WIA. Dat appellante daar nooit gewoond heeft en het adres enkel als postadres gebruikte, ligt in de risicosfeer van appellante. Het Uwv mocht ervan uitgaan dat de brief appellante zou bereiken. Er is geen sprake van een bijzonder geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2017/241
USZ 2018/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2351 WIA en 16/7785 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 maart 2014, 13/2786 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 13 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.M.J. Schepens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schepens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.J.H. Maas.

De Raad heeft prof.dr. D. Denys, psychiater, verzocht een expertise te verrichten omtrent de gezondheidssituatie en beperkingen van appellante. Prof. Denys heeft op 18 mei 2016 gerapporteerd en op 29 juli 2016 nader gerapporteerd.

Vervolgens heeft het Uwv op 16 november 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen, waarbij is vastgesteld dat appellante met ingang van 8 augustus 2011, een jaar voor datum aanvraag, recht heeft op een WIA-uitkering.

De meervoudige kamer van de Raad heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

Het volgende onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schepens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde een verzekeringsarts van het Uwv te laten rapporteren over de medische situatie van appellante en de vraag of zij in staat was een aanvraag in te dienen.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 13 mei 2017 gerapporteerd.

Appellante heeft op 22 juni 2017 een reactie ingezonden.

Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak af te doen zonder nadere zitting, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als kapster. Voor dit werk is zij op 12 maart 2008 uitgevallen. Op 8 augustus 2012 heeft zij een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Bij besluit van

27 september 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een

WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Bij besluit op bezwaar van 6 maart 2013 (bestreden besluit 1) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 september 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

3. Vervolgens heeft plaatsgevonden hetgeen is beschreven onder procesverloop.

4.1.

Appellante kan zich niet verenigen met de ingangsdatum van de uitkering. Het hoger beroep heeft daarom mede betrekking op bestreden besluit 2.

4.2.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen reden is voor een eerdere ingangsdatum van de uitkering.

5.1.

De Raad overweegt als volgt.

5.2.

Aangezien het Uwv bestreden besluit 1 niet langer handhaaft, is het beroep tegen dat besluit gegrond. Dat besluit zal vernietigd worden, evenals de aangevallen uitspraak.

5.3.1.

Op grond van artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA kan het recht op een uitkering op grond van deze wet niet worden vastgesteld over een periode gelegen voor 52 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het Uwv kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

5.3.2.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling volgt dat dit artikel is afgeleid van – onder meer – artikel 35, tweede lid, van de WAO (Kamerstukken II, 2004/05, 30 034, nr. 3, blz. 196). Naar vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld zijn uitspraak van

7 augustus 2015 ECLI:NL:CRVB:2015:3097, kan van een bijzonder geval in de zin van artikel 35, tweede lid, van de WAO, sprake zijn, indien de betrokken verzekerde wat de verlate aanvraag betreft redelijkerwijs gesproken niet kan worden geacht in verzuim te zijn geweest. Er bestaat geen aanleiding om ten aanzien van artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA in andere zin te oordelen.

5.4.1.

Wat betreft de ingangsdatum van de uitkering heeft appellante aangevoerd dat zij al in 2011 tweemaal een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering (Wajong) heeft ingediend. Zij heeft voorts gesteld dat het Uwv haar niet schriftelijk in kennis heeft gesteld van de mogelijkheid een WIA-aanvraag te doen. De attenderingsbrief is naar een adres gestuurd waar zij niet gewoond heeft. Zij was in die tijd zwervende. Subsidiair stelt appellante dat sprake is van een bijzonder geval omdat het Uwv haar bij de weigering van de Wajong-uitkering had moeten wijzen op de mogelijkheid van een WIA-uitkering. Zoals blijkt uit het rapport van prof. Denys zat zij destijds in een moeilijke periode in haar leven.

5.4.2.

Het Uwv heeft gesteld dat de attenderingsbrief is gestuurd naar het adres waar appellante ingeschreven stond volgens de Basisregistratie persoonsgegevens. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 23 mei 2017 te kennen gegeven dat de zelfredzaamheid van appellante in de jaren 2009 en 2010 niet zodanig was dat zij geen WIA-aanvraag kon indienen noch hiervoor hulp kon inroepen. Zij heeft in die tijd zelf hulp gezocht bij een jongereninstantie.

5.4.3.

Het beroep tegen bestreden besluit 2 slaagt niet. De attenderingsbrief van

2 november 2009 waarin appellante is gewezen op de mogelijkheid van een WIA-aanvraag is gestuurd naar het adres waarop appellante stond ingeschreven. Hiermee heeft het Uwv voldaan aan het bepaalde in artikel 64, tweede lid, van de Wet WIA. Dat appellante daar nooit gewoond heeft en het adres enkel als postadres gebruikte, ligt in de risicosfeer van appellante. Het Uwv mocht ervan uitgaan dat de brief appellante zou bereiken.

5.4.4.

Van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA is geen sprake. Hoewel appellante in de jaren 2009 tot 2011 onmiskenbaar in een zeer moeilijke periode van haar leven verkeerde, kan niet gezegd worden dat zij in het geheel niet in staat was voor haarzelf iets te regelen. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 18 september 2012blijkt dat zij tot begin 2009 opgenomen is geweest binnen de GGZ en dat zij daarna onder behandeling is geweest van een reumatoloog en een revalidatiearts. Uit het expertiserapport van prof. Denys en het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 mei 2017 volgt dat appellante nadien hulp heeft gezocht bij een jongereninstantie. Zo kon zij uiteindelijk in 2010 begeleid gaan wonen en kreeg zij begin 2011 hulp bij het aanvragen van een Wajong-uitkering. Niet valt in te zien dat er in die periode geen

WIA-aanvraag had kunnen worden gedaan.

6. Zoals is besproken ter zitting van 17 maart 2017, zal het Uwv de proceskosten van appellante vergoeden. Deze worden begroot op € 1.485,- (3 punten) voor kosten van rechtsbijstand in beroep, € 998,25 voor het raadplegen van een deskundige en € 38,84 aan reiskosten (openbaar vervoer 2e klas) in beroep. In hoger beroep worden de kosten voor rechtsbijstand begroot op € 1.732,50 (3 1/2 punten) en € 69,24 aan reiskosten, totaal

€ 4.323,83.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 maart 2013 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 november 2016 ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van 4.323,83;

- bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht van € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

13 oktober 2017.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) M.D.F. de Moor

GdJ