Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3622

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
24-10-2017
Zaaknummer
16/5702 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen WW-uitkering. Boete. Recht op uitkering kan niet worden vastgesteld i.v.m. melden omvang werkzaamheden en hoogte inkomsten hennepkwekerij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5702 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

25 juli 2016, 16/346 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 18 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Kok, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kok. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was sinds 1 mei 2012 in het genot van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 11 oktober 2012 is op zijn huisadres aan de [Adres A] te [woonplaats] een hennepkwekerij ontdekt en ontmanteld. In verband daarmee is appellant door de politie verhoord en heeft hij een verklaring afgelegd. Op 26 juni 2014 heeft de rechtbank appellant veroordeeld wegens, eenvoudig gezegd, de handel in, en het bezit van hennep en diefstal van elektriciteit in de periode van 19 oktober 2011 tot en met 10 oktober 2012. Op dezelfde dag heeft de rechtbank een ontnemingsbeslissing gegeven waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel is gesteld op € 2.775,- en waarbij appellant is veroordeeld dat bedrag aan de Staat te betalen. In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de strafrechtelijke veroordeling bevestigd.

2.1.

Naar aanleiding van een schriftelijke melding over de hennepkwekerij bij het Uwv, heeft het Uwv onderzoek verricht. In dat verband is appellant op 19 maart 2015 gehoord. Naar aanleiding van de bevindingen uit dat onderzoek heeft het Uwv op 19 mei 2015 aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt de WW-uitkering over de periode van 1 mei 2012 tot en met 11 oktober 2012 terug te vorderen en een boete op te leggen. Op 22 mei 2015 heeft appellant schriftelijk op dat voornemen gereageerd.

2.2.

Bij besluit van 19 augustus 2015 heeft het Uwv de WW-uitkering ingetrokken over de periode van 1 mei 2012 tot en met 11 oktober 2012, omdat de rechtmatigheid van de uitkering niet kon worden vastgesteld. De in verband daarmee over die periode ten onrechte betaalde uitkering ter hoogte van € 8.354,60 heeft het Uwv van appellant teruggevorderd.

2.3.

Bij een tweede besluit van 19 augustus 2015 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 840,-.

3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 19 augustus 2015. Bij beslissing op bezwaar van 21 december 2015 heeft het Uwv die bezwaren ongegrond verklaard. Het Uwv heeft overwogen dat appellant op 15 oktober 2012 bij de Regiopolitie IJsselland een verklaring als verdachte heeft afgelegd en dat hiervan processen-verbaal zijn opgemaakt. Uit die processen-verbaal is op te maken dat appellant de enige bewoner is van de woning aan de [Adres A] te [woonplaats] en dat op dit adres een hennepplantage dan wel stekkerij is aangetroffen. In het gesprek met een medewerker van het Uwv heeft appellant aangegeven dat hij na het verlies van zijn baan benaderd was door een persoon die belangstelling had om diens appartement te gebruiken voor een hennepplantage dan wel stekkerij zodat appellant zijn schulden bij deze persoon kon aflossen. Naar eigen zeggen heeft appellant zijn woning onder druk afgestaan. Appellant wil niet zeggen wie deze persoon is waardoor de volledige verantwoordelijkheid bij appellant komt te liggen. Omdat appellant geen mededeling kan of wil doen van de omvang van de werkzaamheden en de hoogte van de inkomsten uit die werkzaamheden, kan het recht op uitkering niet worden vastgesteld. Dit maakt dat appellant ten onrechte uitkering heeft ontvangen waardoor er onverschuldigd is betaald. De boete van
€ 840,- heeft het Uwv gehandhaafd.

4. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het betrekking had op de boete. De boete heeft de rechtbank vastgesteld op € 52,-. De rechtbank heeft voor het overige het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe vastgesteld en overwogen dat appellant gedurende de gehele periode in geding werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft genoten en hiervan geen melding heeft gemaakt. In dat verband heeft de rechtbank verwezen naar het feit dat in de woning van appellant ongeveer 66 (moeder)hennepplanten en 1124 hennepstekken zijn aangetroffen. Voorts blijkt uit informatie van Enexis dat in de woning van appellant vermoedelijk 180 dagen is gekweekt, welk vermoeden is gebaseerd op de illegaal afgenomen hoeveelheid elektriciteit. De stelling van appellant dat hij twee dagen lang, in totaal drie uur heeft geholpen de planten en lampen naar de betreffende woning te verplaatsen, heeft de rechtbank niet gevolgd nu appellant die stelling niet op enige verifieerbare wijze heeft onderbouwd. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat dit betekent dat appellant met ingang van 1 mei 2012 zijn werknemerschap over 38 uren heeft verloren. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven over proceskosten en griffierecht.

5.1.

Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat hij in de hennepkwekerij geen werkzaamheden heeft verricht, laat staan dat hij daaruit inkomsten heeft verkregen. Hij heeft dan ook gesteld dat hij nergens melding van heeft kunnen en moeten maken. In de stukken van Enexis dan wel de politie wordt slechts gesteld dat appellant werkzaamheden verrichtte/inkomsten had, maar dat wordt op geen enkele wijze onderbouwd. Het bestreden besluit is volgens appellant dan ook onzorgvuldig. Appellant heeft verwezen naar zijn eerdere gronden bij de rechtbank en verwijst naar wat hij heeft gesteld over zijn activiteiten in de kwekerij. Het oordeel van de rechtbank over de boete heeft appellant uitdrukkelijk niet aangevochten.

5.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft verwezen naar rechtspraak van de Raad waaruit volgt dat het feit dat in de door appellant gehuurde woning een hennepkwekerij dan wel een hennepstekkerij is aangetroffen de vooronderstelling rechtvaardigt dat hij (mede)eigenaar van die kwekerij/stekkerij is geweest en dat de opbrengst hem ook ten goede is gekomen (zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2137). Het is, volgens het Uwv, vervolgens aan appellant om met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij de hennepkwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd en ook overigens in het geheel geen inkomsten uit of in verband met deze kwekerij heeft ontvangen. Die stelling heeft appellant niet met dergelijke gegevens onderbouwd. Nu appellant heeft verklaard dat hij zijn woning heeft onderverhuurd, maar heeft geweigerd de naam van de onderhuurder prijs te geven blijft het bewijsrisico aan zijn kant liggen. Gelet op de gegevens van de politie en Enexis acht het Uwv de verklaring van appellant dat hij slechts op 24 en 25 september 2012 in totaal drie uurtjes heeft geholpen met het naar boven tillen van spullen ten behoeve van de stekkerij/kwekerij ongeloofwaardig nu appellant deze verklaring niet op enige verifieerbare wijze heeft onderbouwd. Omdat appellant geen verifieerbare gegevens heeft overgelegd van de door hem gewerkte uren is het niet mogelijk om de omvang van de door appellant gewerkte uren per 1 mei 2012 vast te stellen of daarvan een beredeneerde schatting te maken. Dat heeft ertoe geleid dat niet kan worden vastgesteld of vanaf 1 mei 2012 recht op uitkering bestond.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.1.

Artikel 25 van de WW bepaalt dat de werknemer verplicht is aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

6.1.2.

Artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW bepaalt dat, onverminderd het elders in de WW bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en ter zake van weigering van uitkering, het Uwv een dergelijk besluit herziet of intrekt indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 25 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.

6.1.3.

Op grond van artikel 36 wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a onverschuldigd is betaald door het Uwv teruggevorderd.

6.2.

Zoals volgt uit rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat in de door appellant gehuurde woning een hennepkwekerij is aangetroffen de veronderstelling dat appellant (mede)eigenaar van die kwekerij is geweest en dat de opbrengst daarvan ook hem ten goede is gekomen. Het is dan aan appellant om met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij de hennepkwekerij niet heeft geëxploiteerd en ook overigens in het geheel geen inkomsten uit of in verband met deze kwekerij heeft ontvangen (zie de uitspraken van de Raad van 11 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2137 en van 17 september 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF3199).

6.3.

Anders dan appellant heeft gesteld, is het onderzoek van het Uwv zorgvuldig geweest. Uit de bevindingen uit de onderzoek door de politie, neergelegd in een mutatierapport van
11 oktober 2012, de processen-verbaal van het verhoor van appellant op 15 oktober 2012, de aangifte van Enexis en het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepstekkerij van 18 oktober 2012 volgt dat in de woning van appellant over een langere periode sprake is geweest van een hennepkwekerij. Uit die bevindingen en de gegevens die kunnen worden afgeleid uit het vonnis van de strafrechter, de ontnemingsbeslissing en het arrest van het gerechtshof volgt dat de periode waarin appellant actief is geweest in de kweek van of de handel in hennep, zich uitstrekt van 19 oktober 2011 tot en met 11 oktober 2012. Ter zitting heeft appellant gesteld dat een medewerker van de politie een toezegging zou hebben gedaan over onderzoek naar DNA-sporen op de in zijn woning aangetroffen hennep en dat een dergelijk onderzoek niet heeft plaatsgevonden. Dat een dergelijk onderzoek niet zou hebben plaatsgevonden, brengt, anders dan appellant veronderstelt, niet mee dat het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest of dat de gegevens die uit de stukken van de politie zijn af te leiden, niet bruikbaar zijn.

6.4.

Appellant heeft tegenover deze bevindingen gesteld dat hij slechts op 24 en 25 september 2012 heeft meegeholpen spullen naar zijn woning te brengen. Dat heeft hij gedaan omdat hij een schuld had aan een persoon die hem om die reden dwong zijn woning ter beschikking te stellen. Over de aard van de schuld en over die persoon heeft appellant, mede uit angst voor de gevolgen, niet nader willen verklaren. Wat hiervan zij, uit het geheel van gegevens als hiervoor weergegeven, volgt dat de betrokkenheid van appellant bij de hennepkwekerij intensiever en langduriger is geweest. Van die betrokkenheid heeft appellant geen mededeling gedaan aan het Uwv zodat appellant de op hem rustende inlichtingenplicht van artikel 25 van de WW heeft geschonden.

6.5.

Op basis van de bekende gegevens, en mede gelet op het feit dat appellant niet méér heeft willen verklaren over zijn betrokkenheid, is over de omvang van de werkzaamheden van appellant geen beredeneerde schatting te maken. Het Uwv heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat over de periode in geding recht op uitkering bestaat. Het bestreden besluit kan daarom in stand blijven, zij het op een andere grond dan de rechtbank heeft beoordeeld nu immers niet het verlies aan werknemerschap onderwerp van het geschil is, maar de vraag of het recht op uitkering kan worden vastgesteld.

6.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten, met verbetering van de gronden, gelet op hetgeen in 6.5 is overwogen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2017.

(getekend) C.C.W Lange

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

AB