Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3609

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
23-10-2017
Zaaknummer
16/5174 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening 8:119 Awb. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5174 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 6 oktober 2015, 14/6142 WWB

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

Datum uitspraak: 10 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft bij brief van 1 augustus 2016 verzocht om herziening van de uitspraak

van 6 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2016:2370.

Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 29 augustus 2017. Verzoeker is - met bericht - niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J.F.H. Weerts.

OVERWEGINGEN

1. Bij de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 oktober 2014, 14/711 bevestigd. De Raad heeft geoordeeld, voor zover thans van belang, dat het college bij besluit van 5 februari 2014, gehandhaafd bij besluit van 26 februari 2014, een beslissing heeft genomen over de aanvraag van appellant om langdurigheidstoeslag over de jaren voorafgaande aan het jaar 2013 en deze aanvraag terecht heeft afgewezen.

2. Een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman (Nationale ombudsman) heeft op

7 juni 2016 het college verzocht om een besluit te nemen op de aanvraag van appellant om langdurigheidstoeslag over 2012. Het college heeft bij besluit van 29 juni 2016 appellant alsnog langdurigheidstoeslag over het jaar 2012 toegekend.

3. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn verzoek om herziening naar voren gebracht dat de onder 1 genoemde uitspraak van de Raad niet in overeenstemming is met de uitspraak van 21 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:113, en het alsnog door het college genomen besluit van 29 juni 2016.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

  1. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

  2. ij de indiener van het verzoekschrift voor de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak

zouden hebben kunnen leiden.

4.2.

Naar vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 5 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:319) is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheden als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.

4.3.

Wat verzoeker heeft aangevoerd ziet niet op feiten of omstandigheden die voldoen aan de strikte onder 4.1 en 4.2 genoemde voorwaarden. Verzoeker heeft geen nieuw gebleken feiten en omstandigheden aangevoerd die niet bekend waren vóór de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. De uitspraak waarnaar verzoeker verwijst is immers gedaan vóór de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. Evenmin blijkt uit het door verzoeker onder 2 genoemde verzoek van de Nationale ombudsman en het daarop gevolgde besluit van het college dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in vorenbedoelde zin. Het verzoek van de Nationale ombudsman betreft alleen de langdurigheidstoeslag voor het jaar 2012. Van feiten en omstandigheden die tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden is, anders dan door verzoeker betoogd, dan ook geen sprake.

4.4.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen vloeit voort dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) F. Dinleyici

HD