Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3605

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
23-10-2017
Zaaknummer
16-5396 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:4418, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Geen beroep ingesteld tegen intrekking. Besluit tot intrekking in rechte onaantastbaar. Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5396 PW

Datum uitspraak: 17 oktober 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 juli 2016, 16/1159 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] (appellante) en [Appellant] (appellant) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Tholen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.G.J. Smit, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2017. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Smit. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Lachkar.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 24 maart 2014 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand, thans de Participatiewet (PW), naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Bij besluit van 28 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 september 2015, heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 24 maart 2014 ingetrokken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant werkzaamheden heeft verricht, waarvan appellanten geen melding hebben gemaakt bij het college. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting is het recht op bijstand niet vast te stellen. Tegen het besluit van 29 september 2015 hebben appellanten geen beroep ingesteld.

1.3.

Bij besluit van 19 oktober 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 februari 2016 (bestreden besluit), heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van

24 maart 2014 tot met 30 april 2015 tot een bedrag van € 11.831,83 van appellanten teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat uit het besluit van 28 mei 2015 volgt dat de bijstand over de periode van 24 maart 2014 tot en met 30 april 2015 ten onrechte is verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de gronden van appellanten vrijwel volledig zien op het intrekken van de bijstand, maar dat het besluit tot intrekking van 28 mei 2015 in rechte onaantastbaar is geworden, zodat de intrekking niet meer ter discussie kan staan. Het college was verplicht de kosten van bijstand terug te vorderen. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is niet gebleken.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de intrekking niet meer ter discussie kan staan. Appellanten hebben een verzoek om herziening van de intrekking ingediend. De procedure over de afwijzing van dit verzoek loopt nog. De terugvordering is in strijd met de rechtszekerheid, nu appellanten de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden. Appellanten stellen voorts dat er dringende redenen zijn om van de terugvordering af te zien. Zij hebben geen draagkracht om het terugvorderingsbedrag terug te betalen. Zij zullen hun woonlasten niet meer kunnen betalen en uiteindelijk op straat komen te staan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het besluit van 28 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 september 2015, in rechte onaantastbaar is geworden. Daarmee staat vast dat appellanten geen recht hadden op bijstand over de periode van

24 maart 2014 tot met 30 april 2015 in verband met schending van de inlichtingenverplichting. Dat appellanten hebben verzocht om herziening van het intrekkingsbesluit en dat over de afwijzing van dit verzoek nog een procedure aanhangig is, maakt dit niet anders.

4.2.

De rechtbank heeft voorts, gelet op het bepaalde in artikel 58, eerste lid, van de PW, met juistheid geoordeeld dat het college gehouden was, behoudens dringende redenen, de kosten van bijstand terug te vorderen.

4.3.

Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor de betrokkene, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken. Appellanten hebben met wat zij hebben aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat zich dringende redenen voordoen als hiervoor bedoeld. Daarbij is van belang dat appellanten de bescherming hebben van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en zij dus steeds de beschikking zullen houden over een inkomen ter hoogte van 90% van de voor hen toepasselijke bijstandsnorm.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2017.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) S.A. de Graaff

HD