Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3586

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
19-10-2017
Zaaknummer
16/4356 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:3140, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft op goede gronden het herzieningsverzoek van appellante afgewezen. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van art. 4:6 Awb. In wat appellante heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4356 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 mei 2016, 16/408 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 18 oktober 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.B. van Meersbergen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Meersbergen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 9 augustus 2005 heeft het Uwv de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) die appellante sinds 1997 ontving, met ingang van 4 oktober 2005 beëindigd. Bij besluit van 20 februari 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 augustus 2005 gegrond verklaard, met dien verstande dat de WAO-uitkering met ingang van 8 oktober 2005 wordt beëindigd. Het beroep van appellante tegen dit besluit is door de rechtbank Breda bij uitspraak van 28 september 2006 ongegrond verklaard.

1.2.

Appellante heeft het Uwv bij brief van 7 mei 2015 verzocht het besluit van 20 februari 2006 te herzien. Daarbij heeft zij gesteld dat de bij haar aanwezige pijnklachten pas later zijn gediagnostiseerd als tendinitis (in 2009) en fibromyalgie (in 2012), waardoor er geen rekening is gehouden met haar beperkingen bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid.

1.3.

Het Uwv heeft het verzoek van appellante bij besluit van 22 juni 2015 afgewezen. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat gebleken is dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat het besluit van 20 februari 2006 onjuist zou zijn.

1.4.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 juni 2015 is bij besluit van 18 december 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan de beperkingen op 8 oktober 2005 herzien zouden moeten worden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv op goede gronden het herzieningsverzoek van appellante afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de gronden die appellante in beroep heeft aangevoerd niet zijn aan te merken als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De verzekeringsartsen waren bekend met de klachten van appellante en het stellen van de diagnose fibromyalgie maakt dit niet anders. Voor de WAO is immers niet de diagnose van belang, maar de objectief vast te stellen beperkingen die voorvloeien uit een ziekte of gebrek. De diagnose fibromyalgie is dan ook niet te beschouwen als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Dit geldt ook voor de als tendinitis gediagnostiseerde schouderklachten, omdat deze klachten op 8 oktober 2005 nog niet aan de orde waren.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat niet voldoende rekening is gehouden met haar beperkingen omdat er in 2005 geen diagnose voor haar klachten was gesteld. Appellante is van mening dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden omdat er nu wel diagnoses zijn gesteld.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Het verzoek van appellante van 7 mei 2015 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 20 februari 2006. Het Uwv heeft hierop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

4.1.2.

Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.1.3.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.2.

Ter ondersteuning van haar verzoek van 7 mei 2015 heeft appellante aangevoerd dat pas enkele jaren na de beëindiging van de WAO-uitkering diagnoses zijn gesteld voor de vele pijnklachten die zij al sinds jaar en dag ervaart. De vraag is of het Uwv in deze diagnoses aanleiding had behoren te vinden het besluit van 20 februari 2006 te herzien.

4.3.

In de omstandigheid dat in 2009 de diagnose tendinitis van de linkerschouder is gesteld, bestaat geen aanleiding de arbeidsongeschiktheid van appellante per 8 oktober 2005 anders vast te stellen. Uit het dossier blijkt immers dat een röntgenfoto in 2005 geen afwijkingen liet zien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan daarom worden gevolgd in zijn bevindingen dat de schouderklachten op basis van tendinitis op de datum in geding niet aan de orde waren. Dit volgt ook uit de voorhanden zijnde medische informatie, zoals de brief van de huisarts van appellante van 19 januari 2006.

4.4.

Ook de omstandigheid dat in 2012 de diagnose fibromyalgie is gesteld, vormt geen nieuw feit of veranderde omstandigheid die voor het Uwv aanleiding had moeten vormen terug te komen van het besluit van 20 februari 2006. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 3 juni 2005 blijkt dat deze bekend was met de hoofpijn, nek-, linkerarm- en rugpijn van appellant. Hij heeft deze klachten getypeerd als cervicobrachiaal syndroom. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep maakte in zijn rapport van 24 januari 2006 melding van de locomotore klachten. Bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellante hebben de verzekeringsartsen rekening gehouden met deze klachten van appellante. In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 mei 2014 is uiteengezet dat de gestelde diagnose fibromyalgie geen nieuw feit oplevert omdat met de klachten die verband houden met deze diagnose al rekening is gehouden. De latere diagnosestelling heeft geen nieuw licht geworpen op de beperkingen van appellante per 8 oktober 2005.

4.5.

Het Uwv mocht het verzoek van appellante van 7 mei 2015 dan ook afwijzen met verwijzing naar zijn besluit van 20 februari 2006. In wat appellante heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2017.

(getekend) E. Dijt

(getekend) L.H.J. van Haarlem

HD